Hoogleraar: oorlogen worden steeds bloediger

UTRECHT, 16 jan. - Het aantal oorlogen waarbij grote mogendheden zijn betrokken is door de eeuwen heen afgenomen, maar het karakter ervan is steeds bloediger geworden. “Oorlog neemt slechts toe in die zin dat de bloedigste oorlogen nog bloediger worden - zowel absoluut als in relatie tot de bevolkingsomvang, en dit voor iedere participerende grote mogendheid.” Dat constateerde dr. J. G. Siccama gisteren in een rede bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in de krijgsgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Utrecht.

Siccama wijst erop dat oorlogen tot aan het einde van de achttiende eeuw betrekkelijk 'gewoon' waren, “een tijdverdrijf voor de adel waarin voor fanatisme, hartstocht en haat geen plaats was”. Onder Napoleon komt hierin verandering: oorlog wordt “een nationale aangelegenheid”. Dat heeft tot gevolg dat er, mede door de uitvinding van kernwapens, een verschuiving plaatsheeft van “een meer instrumenteel naar een meer absoluut gebruik van geweld”.

De bewering dat het uitblijven van een rechtstreekse confrontatie tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in de afgelopen veertig jaar het gevolg zou zijn van de Amerikaanse hegemonie, vooral op economisch gebied, en de unipolaire machtsverdeling binnen de twee tegenover elkaar staande blokken, acht Siccama niet houdbaar. Hegemonie betekent namelijk dat een mogendheid haar orde kan opleggen, terwijl het bestaan van twee gelijkwaardige, tegenover elkaar staande blokken die hegemonie juist uitsluit.

Als verklaring voor de langdurige vrede moet dan ook eerder worden gedacht aan de massale vernietigingskracht van de moderne bewapening. Siccama wijst erop dat een militaire krachtmeting tussen Oost en West in Europa is uitgebleven, ondanks de grote hoeveelheid conflictstof, terwijl in andere regio's, waar geen kernwapens tegenover elkaar stonden, de oorlogen gewoon doorgingen.

Anderzijds waarschuwt Siccama voor een overschatting van de kernwapens als middel om oorlogen te voorkomen, omdat er maar weinig bewijzen zijn voor de effectiviteit van de nucleaire afschrikking. Siccama: “Nadat het Amerikaanse grondgebied kwetsbaar werd voor Russische kernwapens, hebben zich hooguit twee dreigementen met inzet van kernwapens voorgedaan: tijdens de Cubaanse rakettencrisis van 1962 en volgens sommigen tijdens de oktoberoorlog van 1973.”

Ook betwijfelt hij of de afschrikking met kernwapens in de nabije toekomst zal blijven werken, aangezien de Europese conflicten van karakter veranderen. Het kernwapen is geen geloofwaardige dreiging meer bij grensoverschrijdende conflicten tussen minderheden in Europa.

Ook democratie is geen zekere garantie tegen oorlog. Tussen 1816 en 1975 blijken de democratieen “bij uitstek de grote vechters: Engeland en Frankrijk staan aan de top met negentien participaties tussen 1816 en 1965”. Wel blijkt er tussen democratieen onderling aanmerkelijk minder gevochten te worden. Van belang acht Siccama verder de vorming van instituties zoals IMF en Wereldbank, waardoor de vorming van vijandige economische blokken wordt voorkomen.