Het hoge woord

HET ULTIMATUM van de Verenigde Naties aan Saddam Hussein verstreek vanmorgen zes uur Nederlandse tijd zonder dat er een schot werd gelost. Hoewel de betrokken resolutie geen tijdstip noemt, werd algemeen aangenomen dat 15 januari 23.59 uur lokale tijd aan de Amerikaanse Oostkust bepalend was. De zetel van de Verenigde Naties staat immers in New York. Van verschillende kanten is opgemerkt dat resolutie 678 van de Veiligheids

raad ledenlanden van de volkerenorganisatie machtigt “alle noodzakelijke middelen” aan te wenden om aan de bezetting en inlijving van Koeweit door Irak een einde te maken. Met andere woorden: zij legt geen verplichting daartoe op. Ook van Amerikaanse zijde is eerder gezegd dat het verstrijken van het ultimatum, althans van de kant van de coalitie, niet onmiddellijk tot vijandelijkheden behoefde te leiden.

Met zichtbare moeite heeft president Bush in het Congres een meerderheid verworven voor een militaire operatie. De eensgezindheid in de Veiligheidsraad bleek gisteren vlak voor het verstrijken van het ultimatum bovendien zo broos dat de raad niet in staat was het eens te worden over de formulering van een laatste appel aan Bagdad. De plaatsvervangende oproep van secretaris-generaal Perez de Cuellar aan Saddam Hussein om alsnog in te binden moest de verdeeldheid aan het oog onttrekken. Onder die omstandigheden is het voor de Amerikaanse regering onaantrekkelijk de samenhang in de anti-Saddam-coalitie al te lang op de proef te stellen. Al zijn er objectief militaire en diplomatiek-psychologische argumenten te bedenken om de onzekerheid nog wat te laten voortduren.

VOORZOVER OP dit ogenblik van buitenaf valt vast te stellen staat de alliantie onder zwaardere druk dan haar tegenstander. In Bagdad hebben leider en betogers de afgelopen dagen uiting gegeven aan de bereidheid, zo niet het verlangen, om het op een krachtmeting te laten aankomen. In de Westelijke wereld daarentegen heeft de confrontatie met de waarschijnlijkheid van oorlog grote spanningen opgeroepen, spanningen die in de komende dagen en weken eerder zullen oplopen dan afnemen indien enigerlei oplossing uit zicht blijft. Onder die omstandigheden verdwijnt de werkelijke inzet van het conflict naar de achtergrond en rijst het valse beeld op dat het zou gaan om een ordinaire strijd om de macht tussen twee rivalen, een conflict dat in de wereld van vandaag niet thuis hoort.

Het was te verwachten dat er geen emotieloze, slechts op koele analyse stoelende aanpak mogelijk was van de brute schending op 2 augustus van het vorige jaar van de soevereine staat Koeweit en daarmee van het volkenrecht. Zodra de diplomaten plaats (moeten) maken voor de militairen, de gedachtenwisseling wordt vervangen door de wapens, kan niemand onbewogen blijven. Existentiele vragen dringen zich op. Begrijpelijk en terecht. Zoals: wat hebben wij ermee te maken? Of: kon dit niet worden voorkomen, niet op een minder riskante wijze opgelost?

OP DEZE plaats is vanaf 2 augustus het standpunt ingenomen dat de invasie en de latere annexatie van Koeweit ongedaan dienden te worden gemaakt. De onvoorwaardelijke afwijzing en veroordeling van Irak in de Veiligheidsraad en in de volkerenorganisatie als geheel werd toegejuicht als teken van een herstel van een instelling die de vrede bewaart zonder daaraan de rechtsorde op te offeren. Het middel van de boycot hebben wij passend genoemd. Tegelijkertijd hebben wij onderstreept dat Europa, en dus ook Nederland, een evenredige last van de confrontratie met Saddam Hussein op zijn schouders moest nemen. Om twee redenen: om zoveel mogelijk duidelijk te maken dat het niet ging om een conflict uitsluitend tussen de Verenigde Staten en Irak en om zoveel mogelijk invloed te verwerven op het beloop van de gezamenlijke beleidsvorming.

Helemaal gelukt is dat niet en derhalve is het wachten enkel en alleen op het hoge woord van het Witte Huis.