Herdenking in Vietnam van doden Ho-Chi-Minh-route; Het na-de-bom-syndroom

Deze maand worden in Vietnam opnieuw de doden van de beruchte Ho-Chi-Minh-route herdacht: de 15.000 kilometer tellende aanvoerroute van de Vietcong gedurende de Vietnam-oorlog. Jarenlang is deze route door Vietnamese en aanverwante regimes beschreven als een toonbeeld van nationaal heldendom en glorie. Pas de laatste tijd komt de keerzijde van de medaille aan bod.

In gesprek over de Ho-Chi-Minh-route met oud-generaal Vo Dam van het voormalige Vietcong-leger komen de herinneringen weer boven: aan de ijzingwekkende stilte na de Amerikaanse bombardementen, en aan de angst, het leed en de dood.

In 1965 maakte Vo Dam zijn eerste tocht langs de Ho-Chi-Minh-route. Als hij er weer aan denkt, komen de verschrikkingen haarscherp terug. Zijn huisje in Ho-Chi-Minh-stad staat vol herinneringen aan de route. Van de obligate compagniefoto tot de Amerikaanse bomscherven. Triest hoogtepunt is een foto van een met napalm gebombardeerd gehucht. De verkoolde lijken zijn duidelijk zichtbaar. Erboven hangt een foto van hetzelfde gehucht van voor het bombardement, met op de voorgrond een ouder echtpaar: zijn vader en moeder. Ook zij werden het slachtoffer van de napalm en hebben de oorlog niet overleefd.

“Wat ik me het scherpst herinner, zijn de alles en iedereen vernietigende bombardementen van de Amerikanen. De hele route, van Noord-Vietnam via Laos en Cambodja naar Zuid-Vietnam, was bezaaid met lijken. De dood was een onderdeel van de Ho-Chi-Minh-route.”

Elk Vietcong-regiment beschikte over een zogeheten identificatie-officier voor de doden. Vo Dam: “Deze officier had een speciale, tegen alle weersomstandigheden bestendige pen bij zich. Als iemand stierf, schreef hij zijn naam, geboortedatum en -plaats op een velletje papier, stopte dit in een flesje en plaatste dat in de mond van de dode. Daarna werd het lichaam in een regenbestendige hoes gewikkeld. Op deze wijze kon het lijk later worden geidentificeerd.”

Hijzelf is een jaar 'doden-officier' geweest. Honderden lijken heeft hij behandeld. Vaak waren ze half verkoold of zwaar verminkt. Bij de eerste paar lijken had hij nog moeite met het werk, vooral met het opentrekken van de mond. Al snel werd het echter een routine-handeling.

“Ook aan de dood wen je snel. Het was bijna een natuurverschijnsel, iets onvermijdelijks”, verzucht hij. Inmiddels is het tijdperk van het heldendom en de glorie voorbij. “We zijn nu toe aan het leed, de honger en de doden van de Ho-Chi-Minh-route.”

Op het voor de slachtoffers van de route opgerichte kerkhof in Ho-Chi-Minh-stad liggen 10.306 doden. Dat is maar een fractie van het totaal aantal slachtoffers. In een periode van acht jaar hebben de Amerikanen alleen al 4 miljoen ton explosieven op de route losgelaten.

“Als we de bommenwerpers hoorden, begonnen we meestal te zingen. Op die manier probeerden we het geluid van de vliegtuigen en de explosies weg te zingen. Sommigen begonnen keihard op de Amerikaanse piloten te schelden. Het ergste waren de momenten na het eerste bombardement. Dan werd iedereen doodstil. Omdat we uit ervaring wisten dat meestal vrij snel daarna een tweede, nog verschrikkelijker bombardement zou volgen. En je wist uiteraard nooit of je het volgende ook zou overleven. Na zo'n bombardement waren niet alleen de mensen stil. Ook de natuur meldde zich niet meer. Vogels verroerden zich niet meer. Zelfs de wind leek te zijn weggevaagd. Een angstaanjagende, haast wurgende stilte had ons in zijn macht.”

Ofschoon de bombardementen over het algemeen ondoelmatig waren, hadden ze een demoraliserend effect op de Vietcong-soldaten. Velen deden na een bombardement hun mond niet meer open. Verdwaasd, als spoken, vervolgden ze hun tocht. Het duurde vaak dagen voordat hun moreel weer een beetje op peil kwam en ze weer iets zeiden. Als dat al gebeurde.

“We noemden dat het 'na-de-bom-syndroom'. Bomen van kerels werden in een mum van tijd slappe vaatdoeken. Levendige soldaten werden zwijgzame mummies. Er was doorgaans weinig aan te doen. Het enige dat uiteindelijk vaak hielp, waren kameraadschap en geborgenheid. Het gevoel dat je niet alleen stond, maar er met z'n allen doorheen moest.”

Vo Dam herinnert zich niet alleen de bombardementen. Ook de eeuwige honger - je kreeg niet meer dan twee rijstkoeken per dag - en de slopende malaria staan in zijn geheugen gegrift.

Hij is een keer zo verzwakt geweest dat hij niet meer kon lopen en was overgeleverd aan rode, zich in zijn vlees vretende mieren. Lokale boeren hebben hem toen geholpen. Toen hij na het einde van de Vietnam-oorlog terug ging om nogmaals te bedanken, bestond het dorp niet meer. Bij een van de laatste Amerikaanse wanhoopsbombardementen was het van de kaart geveegd.

Een categorie Vietcong-strijders heeft een speciale plaats in zijn hart. Dat zijn de vrachtwagenchauffeurs, de 'piloten van de aarde' zoals ze in het Vietcong-jargon werden genoemd. Onder de meest erbarmelijke omstandigheden deden zij hun plicht.

Ondanks alle camouflage waren ze voor de Amerikaanse piloten een betrekkelijk gemakkelijk doelwit. Het 'uitvalspercentage' was bijzonder hoog. Naar schatting heeft zo'n 75 procent van hen het einde van de oorlog niet gehaald. Vaak werden getroffen vrachtwagens door de Vietcong-soldaten met chauffeur en al van de weg gedrukt, waarna de tocht werd vervolgd.

“Tijd om de chauffeur te begraven, was er doorgaans niet”, zegt Vo Dam. “Deze chauffeurs zijn de echte helden van de Ho-Chi-Minh-route. Degenen die het uiteindelijk hebben overleefd, werden meestal bus- of taxichauffeur in Ho-Chi-Minh-stad.”

“Dat noem ik nog eens een vreedzame omschakeling”, mompelt hij bij het afscheid.

    • Ad Kooyman