Gerrit komrij

Nog lange tijd nadat de treurbuis haar vaste positie had ingenomen tegenover het Nederlandse bankstel kon je de stellige mening horen verkondigen dat de Tweede Wereldoorlog nooit zou zijn uitgebroken als er in Hitlers tijd maar een treurbuis was geweest.

Die veronderstelling viel - zoals bij ieder 'als' en 'mits' waarmee we achteraf de geschiedenis benaderen - niet te bewijzen, maar ze was gegrondvest op twee ijzersterk geachte argumenten.

Het eerste luidde dat het Duitse volk door het intiem-genadeloos registreren van de camera bijtijds de slechterik in de Fuhrer en het hoge gebral-gehalte van diens woorden zou hebben herkend, of hem althans met lage kijkcijfers had bedeeld vanwege zijn meer dan harkerige presentatie als media-clown. Het tweede argument was breder van aard en luidde dat een tv-toestel in iedere huiskamer van de wereld de communicatie en dus de verstandhouding tussen de volkeren zou hebben bevorderd: omdat iedereen tegelijkertijd alles had kunnen volgen zou er iets van een supra-nationale broederschap zijn ontstaan die iedere lokale gekte bij voorbaat kansloos maakte.

Het lijkt curieus dat een onbenulligheid als de treurbuis ooit zo'n weekhartig optimisme wist op te roepen. Toch heb ik, met geregelde tussenpozen, het verhaal dat Hitler in een communicatie-tijdperk als het onze visueel en auditief door de mand zou zijn gevallen wel twintig jaar moeten aanhoren.

Het feit dat we nu weer van allerlei media-wijsneuzen mogen vernemen dat de naderende Golf-oorlog een tv-oorlog zal worden, dat de treurbuis als het ware de dynamiek en het realiteitsgehalte van die oorlog zal bepalen, zoals ze ook de dynamiek van het voorspel bepaalde, het is niet anders dan een raar overblijfsel van die gedachtengang.

De tv heeft, behalve als gratis bewegende krant voor een handjevol machthebbers, geen enkele invloed gehad en ze zal geen enkele invloed hebben.

Iedereen heeft alles tegelijkertijd kunnen volgen en zie: het heeft een lokale gek als Saddam Hussein niet geruisloos van het scherm, laat staan van het wereldtoneel verjaagd. De gruwelen van de oorlog op de treurbuis hebben gruwelen niet kansloos gemaakt.

Door de tv zitten we met onze neus bovenop het conflict en we zijn er nog even ver vandaan als zonder tv. Onder onze ogen dendert het geweld aan, we zijn getuige van elke resolutie, elke propaganda-speech, elke troepenverplaatsing, en we zijn er geen grein meer deelnemer door geworden.

De oorlog lijkt een mechanisme dat, eenmaal in beweging gebracht, niet meer te stuiten of te beinvloeden is. Niet door de rede van de verstandige enkeling, niet door het bezorgde toezien van een voltallige mensengemeenschap. Men moet dulden dat diplomaten falen. Men moet accepteren dat ministers van buitenlandse zaken vergeefs in de volle woestijn roepen. Hoe ons Broekje ook danst en springt, we beseffen: hij doet het niet aan zijn eigen bretels.

Het is voor het eerst in de geschiedenis dat de hele mensheid in staat is van uur tot uur de hybris van een dictator en de voorbereidingen voor een catastrofale confrontatie te volgen, en nog steeds heeft de burger geen andere rol dan die van machteloze toeschouwer. Hem rest niets dan de cynische hoop dat de confrontatie snel zal plaatsvinden, zodat ze ook snel voorbij zal zijn. De tv is geen afschrikkende factor, geen pressiemiddel, geen bewustwordingsmachine, geen ontluisteraar, geen tranquillizer, ze is voor ons machtelozen niet eens een bewegende krant, maar een apparaat dat zelfs van de oorlogswerkelijkheid fictie maakt. Het onvoorstelbare valt niet voor te stellen.

De enkelingen die nog de straat opgingen om tegen de oorlog te protesteren deden dat niet omdat de tv Hussein als slechterik had ontmaskerd, maar omdat ze popelden weer eens Yankee go home te mogen roepen: een nostalgische Vietnam-reprise. Men zag aan de baarden, hennep-oogopslag, grootmoeders en kameelharen jassen dat de jongste generatie, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat gepokt en gemazeld door de treurbuis, geheel ontbrak.

    • Gerrit Komrij