Busoni met zilveren vork en mes aangepakt

Concert: Harro Ruijsenaars (cello) en Rian de Waal (piano). Programma: Beethoven: Zeven variaties in Es over het thema 'Bei Mannern welche Liebe fuhlen'; Busoni, Kultaselle; Brahms, Sonate no. 1; Poulenc: Sonata; Chopin: Introduction et Polonaise brillante in C. Gehoord: 14- 1 Kleine Zaal Concertgebouw, Amsterdam. Op 17-1 speelt Harro Ruijsenaars met Theo Olof (viool) en Matthias Maurer (altviool) in de Kleine Zaal werken van Ravel en Mozart.

Twaalf jaar lang was de Nederlandse cellist Harro Ruijsenaars als eerste solocellist verbonden aan het Concertgebouworkest, maar in het vorige seizoen nam hij definitief afscheid van deze veeleisende orkestbaan. Nu pendelt hij heen en weer tussen de conservatoria van Aarhus en Goteborg in Denemarken en Amsterdam, waar hij cello- en ensemble-lessen geeft. Daarnaast legt hij zich meer dan voorheen toe op het geven van concerten en recitals. Zo profileerde hij zich gisteravond als kamermuziekspeler in de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw met een origineel opgebouwd recitalprogramma, waarvan de Eerste Sonate van Brahms en de zelden uitgevoerde Sonata van Poulenc het zwaartepunt vormden.

Ruijsenaars opende zijn concert met Beethovens Zeven variaties in Es over het thema 'Bei Mannern welche Liebe Fuhlen' uit Mozarts Zauberflote. Het is aardige, speelse muziek die Ruijsenaars ingetogen en met een verzorgde cellotoon verklankte. Hierin werd hij soepel en evenwichtig terzijde gestaan door pianist Rian de Waal, die in het verloop van het programma steeds weer de aandacht trok door de muzikale, nooit opdringerige maar wel steeds stimulerende begeleiding. Hij was dan ook degene die in Kultaselle, Busoni's aanstekelijke variaties op een Fins volkslied, de juiste toon aangaf.

Maar hoezeer Rian de Waal ook zijn best deed dit romantische stuk de vereiste Schwung en pathetische expressie mee te geven, Harro Ruijsenaars bleef Busoni met zilveren vork en mes benaderen. Op een soms wat zwakke intonatie na speelt hij deze muziek uiterst degelijk en verzorgd, mooi warm en gepolijst van toon, maar o zo keurig en daardoor verschrikkelijk saai. Jammer, want met een beetje meer rubato, misschien hier en daar een gewaagd glissando en vooral een wat fantasierijker vingerzetting omwille van de klankkleur, zou Busoni oneindig veel spannender geklonken hebben.

Daarna klonk ook de Eerste Sonate van Brahms te statisch en te weinig expressief. Wel mooi was hierin Ruijsenaars sonore toonvorming, maar op enkele geinspireerde momenten na ontbrak als het ware de onderstroom, de organische afwisseling van spanning en ontspanning waaraan dit enerverende werk zijn bestaansrecht ontleent. Zo viel Brahms uiteen in helder en zorgvuldig omlijnde brokjes melodie, die netjes naast elkaar geplaatst maar doelloos in de lucht bleven hangen. Overtuigender was Ruijsenaars in zijn niet overal even zuivere, maar wel avontuurlijke interpretatie van Poulencs Sonata, zeker voor de cellist een razend lastig werk. Misschien juist daardoor liet Ruijsenaars nu zijn voorzichtigheid varen, zodat dit grillige stuk uit 1948 werkelijk tot leven kwam.

Helaas ontbrak tijdens de Introduction et Polonaise brillante van Chopin weer de nodige flair, maar Ruijsenaars revancheerde zich met zijn plotseling toch nog verrassend warmbloedig gespeelde toegift, het indrukwekkende tweede deel uit Chopins Cellosonate.