Britten worden op oorlog voorbereid

LONDEN, 16 jan. - Groot-Brittannie heeft van zijn eerste minister, John Major, te horen gekregen dat het zich dient voor te bereiden op oorlog in de Golf. Het zogeheten oorlogskabinet, bestaande uit de premier en zijn ministers van buitenlandse zaken en defensie, is vanmorgen in 10 Downing Street bijeen gekomen.

Herhaald is dat het lanceren van de aanval op Saddam Hussein “veeleer eerder dan later” voor de deur staat. Intussen is het Britse Lagerhuis, nog voordat enkele duizenden demonstranten vannacht aan de voet van Big Ben het moment van het verstrijken van het ultimatum om twaalf uur (Britse tijd) hadden gemarkeerd, gisteravond vrijwel eensgezind (534 tegen 57) achter de Conservatieve regering gaan staan in een bewust betoon van solidariteit met de meer dan 35.000 Britse manschappen in het Golf-gebied.

De conclusie dat een oorlog tegen Saddam Hussein onvermijdelijk is geworden nu sancties en diplomatie niet tot resultaat hebben geleid, kwam nadat Groot-Brittannie zich kwaad had gemaakt over een laatste en uiteindelijk vergeefs diplomatiek initiatief van de Fransen. Niet alleen vond de Britse regering met de Amerikanen, dat de Fransen op perfide wijze alsnog probeerden Saddams vertrek uit Koeweit te verbinden met het lot van de Palestijnen, maar ook achtte John Major zich gepasseerd omdat president Mitterrand tijdens een lunch afgelopen maandag met geen woord had gerept over het initiatief. Een woordvoerder van het Franse ministerie van buitenlandse zaken sprak vanmorgen in dat verband over “een misverstand”.

De Fransen op hun beurt torpedeerden een gecombineerd Brits-Sovjet-voorstel, dat werd gesteund door de Amerikanen, om de secretaris-generaal van de VN, Perez de Cuellar, een laatste oproep te laten doen aan Saddam Hussein. “We willen substantie, geen dichtregels”, citeert de Britse pers de reactie van de Fransen.

Een ernstige, kalme en bijna saai klinkende John Major hield het Lagerhuis voor dat, nu alle andere middelen zijn uitgeput, het moment is gekomen om op te komen voor de beginselen die in het geding zijn. De geallieerden hadden geen andere keus. “Wij verlangen niet naar oorlog, maar als hij komt dan twijfel ik er niet aan dat het een gerechtvaardigde oorlog zal zijn.” En in een verwijzing naar diegenen onder zijn gehoor die hebben aangedrongen op het verder afwachten van de uitwerking van sancties en op verder diplomatiek overleg: “Degenen die op uitstel aandringen omdat ze oorlog haten - zoals wij allen doen - dienen zichzelf deze vraag te stellen: hoeveel langer moet de wereld nog toekijken en riskeren dat deze gewelddaden (jegens de bevolking van Koeweit) voortduren?”

Een enkele betoger op de publieke tribune had al een verfbommetje op - tegen de bedoeling in - Labour en Liberalen laten vallen, toen Labourleider Neil Kinnock zich in een gloedvolle toespraak afvroeg of de wreedheden tegen de Koeweiti's niet minder moesten tellen dan de verschrikkelijke effecten van de komende oorlog. De rebellie in zijn eigen achterban (57 Labourleden onttrokken zich aan de partijdiscipline) maakte dat de Labourleider bleef aandringen op het verder uitputten van andere middelen dan militair geweld, zij het dat hij geweld sanctioneerde als het niet anders meer kon. Saddam was “heel zeker een monster” en moest uiteindelijk de rekening voor zijn daden gepresenteerd krijgen, al was het maar - hier keerde Kinnock zich veelzeggend om naar de rebellen in eigen gelederen - omdat een Labourregering in de toekomst niet met de hoed in de hand langs alle dictators van deze wereld kon reizen met de vraag: Wilt u uw euveldaden voor de duur van onze regeerperiode even opschorten?