Britse media klem tussen patriottisme en professie

LONDEN, 16 jan. - Wanneer de oorlog tussen Irak en de geallieerde troepen daadwerkelijk uitbreekt zullen ruim honderd Westerse journalisten, het merendeel Britten, vanuit de Iraakse hoofdstad Bagdad verslag doen van de gebeurtenissen daar. Daarmee ontstaat een unieke situatie: persvertegenwoordigers uit het Westen zullen vanachter de vijandelijke linie rapporteren over het effect van de geallieerde acties tegen Irak.

Verwacht wordt dat de Iraakse minister van informatie alsnog dankbaar gebruik zal maken van hun beslissing om niet te wijken voor de gevolgen van het verstrijken van het VN-ultimatum. “We zullen wel in bussen naar ziekenhuizen met gewonden en naar gebombardeerde scholen worden vervoerd”, zegt John Simpson van het BBC-nieuws vanuit Bagdad. Maar desinformatie en propaganda zijn niet alleen aan de Irakezen voorbehouden. De BBC-correspondent in Saoedi-Arabie, Martin Bell, waarschuwt zijn kijkers openlijk voor soortgelijke praktijken bij het Amerikaanse en Britse opperbevel in de nabije toekomst.

Bij de Britse media is de discussie in volle hevigheid losgebarsten over de vraag in hoeverre een journalist-oorlogsverslaggever in de Golf patriottisme moet laten gelden boven de professionele verplichting tot het melden van het nieuws. Voor de persvertegenwoordigers die toegang hebben gekregen tot het slagveld zelf is het antwoord noodgedwongen simpel. Het Britse ministerie van defensie heeft toelating tot het front - met gedwongen begeleiding door militaire autoriteiten - gebonden aan een aantal grondregels. Daaraan dient iedere journalist in het gebied zich uit militair-tactische overwegingen te houden. De beperkingen zijn verregaand: geen vermelding van locaties, geen publikatie van gegevens over aantallen en aard van manschappen en materieel, zonder goedkeuring vooraf geen meldingen over toekomstige acties, geen publiciteit over aard en inzameling van militaire inlichtingen en geen mededelingen over lopende operaties tegen vijandelijke doelen. Het ministerie heeft hoofdredacties bovendien gewaarschuwd dat “publiekelijk lucht gegeven speculaties over toekomstige operaties, vooral als die de indruk geven goed ingelicht en gezaghebbend te zijn, ook het risico in zich bergen dat ze de vijand mogelijkheden geven die anders niet bij hem zouden zijn opgekomen”.

ITN, het commerciele televisiestation, heeft al gezegd dat het vooral met die instructie tot zelfcensuur zo'n moeite heeft dat het zich er mogelijk niet aan zal houden. “De richtlijnen van defensie zijn zo algemeen van strekking, dat je er bijna geen verslag van een oorlog mee kunt uitvoeren. We willen niemands leven in gevaar brengen, maar we zijn tenslotte een onafhankelijk televisiestation”, liet een ITN-woordvoerder weten.

De BBC, die tenslotte uit door de regering bepaald kijkgeld wordt gefinancierd, heeft op dit punt meer begrip. Zij heeft na de waarschuwing besloten om het aantal militaire experts dat vanuit de studio in Groot-Brittannie commentaar zou kunnen geven op de gebeurtenissen sterk te beperken. Televisiemakers moeten eerst toestemming vragen bij de BBC-top voor ze dergelijke commentatoren in programma's kunnen opvoeren.

In het handboek van voorschriften-voor-intern-gebruik neemt de BBC-top elders wel afstand. Zo zullen nieuwslezers en programmamakers, net als in de Falkland-oorlog, op gezag van bovenaf bij voorkeur moeten spreken over “de Britse troepen” en niet over “onze troepen”. Dat voorschrift is ongetwijfeld niet naar de zin van die Lagerhuisleden die in de Falkland-oorlog al van mening waren dat de BBC te weinig achter “onze jongens” stond.

BBC-baas John Birt zegt dat hij niet vindt dat het aan het ministerie van defensie of aan militaire autoriteiten in oorlogsgebied is om door censuur aan te geven wat al dan niet “goede smaak” is bij de oorlogsverslaggeving. Emoties, in het oorlogsgebied en bij verwanten in Engeland, moeten “met mededogen” en niet nodeloos worden getoond. Somber nieuws moet somber worden gemeld, er moet geen emotionele ondertoon liggen in het verstrekken van informatie, maar als er sprake is van menselijke beproevingen “moeten we wel kunnen laten zien dat het ons niet onberoerd laat”. Verslaggeving over vooral het gebruik van chemische en biologische wapens - en die richtlijn hebben alle serieuze media overgenomen - moet drievoudig gecontroleerd zijn voor publikatie, wegens “het uitzonderlijke afgrijzen dat dergelijke berichten kunnen wekken”.

De weinige Amerikaanse verslaggevers die in Bagdad zijn achtergebleven (een televisieteam van CNN) zijn vergeleken met de Britten veruit in de minderheid. De Britse journalisten zijn allen vrijwilligers, die ervoor hebben gekozen niet - zoals gebruikelijk - tegelijk met de laatste diplomaten Irak te verlaten, maar in Bagdad te blijven. Zij constateren met enig cynisme dat de Iraakse autoriteiten opeens niet meer moeilijk doen met het verlengen van verblijfsvergunningen, maar hen hartelijker dan voorheen tegemoettreden.

Aan Britse zijde gaat het cynisme niet zover dat Iraakse vertegenwoordigers in Londen ook worden uitgenodigd deel te nemen aan de voorlichtingsbijeenkomsten van het ministerie van defensie in Whitehall. Dat privilege wordt overigens evenmin gegund aan andere buitenlandse persvertegenwoordigers in het Verenigd Koninkrijk. Vanmorgen kregen die via de Buitenlandse Pers Vereniging te horen dat ze alleen welkom zijn op de dag dat de oorlog uitbreekt, en dan “vermoedelijk rond lunchtijd”.