Uiterst magere opkomst bij manifestatie in stadion van Amman; Jordaanse aanhang Saddam onderling op de vuist

AMMAN, 15 jan. - Met een matig bezochte manifestatie in het voetbalstadion van Amman heeft Jordanie gisteren het laatste etmaal ingeluid voor het aflopen van het VN-ultimatum aan Irak.

Het is moeilijk te zeggen hoe groot op dit moment het enthousiasme voor Saddam Hussein is in het kleine koninkrijk, dat het eerste slachtoffer dreigt te worden wanneer de Iraakse leider uitvoering geeft aan zijn dreigement Israel te betrekken bij een oorlog in het Midden-Oosten. Vertegenwoordigers van alle politieke partijen betuigden tijdens de bijeenkomst van gisteren in hartstochtelijke bewoordingen steun aan Irak. Televisiecamera's registreerden spreekkoren, spandoeken met krijgshaftige taal en het verbranden van een Amerikaanse vlag. Zij verzuimden echter te tonen dat het bescheiden stadion nog niet voor de helft was gevuld. Vijf- a zesduizend bezoekers is weliswaar een aardige opkomst bij De Graafschap-SVV, maar niet bepaald een overtuigend bewijs voor hevig pro-Iraakse sentimenten in een stad met meer dan een miljoen inwoners.

In gesprekken op straat en berichten in de media wordt nog altijd veel meer kritiek geuit op de president van Amerika dan op die van Irak en af en toe pleit er ook nog iemand voor een oorlog tegen Israel. Maar de uitzinnige bijval die Saddam Hussein in augustus, kort na de invasie van Koeweit, tijdens dagelijkse demonstraties ten deel viel behoort zo te zien tot het verleden. Koning Hussein, gedurig bezig met schipperen tussen de partijen, lijkt zijn onderdanen weer zo ver onder controle te hebben dat hun emoties in veilige banen kunnen worden geleid en zijn streven om Jordanie buiten toekomstige krijgshandelingen te houden algemeen wordt aanvaard. Een verbod op demonstreren in de nabijheid van de Amerikaanse ambassade werd gisteren zonder morren opgevolgd. Voor vandaag zijn geen nieuwe betogingen toegestaan. Wel is er vanavond een vredesmars met kaarsen en olijftakken, die om middernacht eindigt voor de vertegenwoordiging van de VN in Amman.

Hussein heeft de afgelopen maanden tal van missies ondernomen naar landen in het Midden-Oosten en Europa in een poging de partijen in het Golf-conflict tot elkaar te brengen. Binnenslands heeft hij intussen getracht zijn machtsbasis te verbreden door vertegenwoordigers van de sterkste oppositiepartij in zijn regering op te nemen. Sinds twee weken maken vijf ministers namens de Moslim Broederschap deel uit van het Jordaanse kabinet, waarin zij onder meer de belangrijke posten van justitie en onderwijs vervullen. Leden van de linkse oppositie hebben dit besluit gekritiseerd omdat de Moslim Broeders een staat op religieuze grondslag nastreven en dus in wezen gekant zijn tegen de parlementaire democratie. Deze critici vrezen voor een grotere invloed van religieuze leiders op alle terreinen van het maatschappelijke leven. Andere waarnemers vinden het echter bijzonder slim van de koning dat hij deze potentiele bron van onrust voorlopig heeft geneutraliseerd door de partij met regeringsverantwoordelijkheid op te zadelen.

Koning Hussein had het geluk de Moslim Broederschap te treffen in een periode van interne verwarring. Tot voor kort werd de beweging immers gefinancierd door twee landen in de regio die er strenge tot zeer strenge godsdienstige principes op na zeggen te houden: Saoedi-Arabie en Koeweit. Juist de regeringen van deze naties hebben nu de hulp ingeroepen van de ongelovige Amerikanen en van de Syriers, die in eigen land de Broederschap hebben verboden en nog in 1982, ten koste van bijna dertigduizend doden, een einde maakten aan een religieus geinspireerde opstand in de stad Hama.

Tegelijkertijd werpt de tot voor kort uiterst seculiere dictator Saddam Hussein zich nu op als leider van alle gelovige Arabieren en aanvoerder in een 'heilige oorlog'. In Egypte heeft de Moslim Broederschap Saddam Hussein hierom veroordeeld. De Jordaanse afdeling valt hem in het openbaar bij en stuurde vorige week een delegatie naar een conferentie van islamitische leiders in Bagdad, maar laat zich ook nog altijd op soortgelijke bijeenkomsten in Mekka vertegenwoordigen en vermijdt zorgvuldig rechtstreekse kritiek op de sjeiks en emirs aan de Golf.

Onzekerheid over de identiteit van de Iraakse leider was ook merkbaar tijdens de bijeenkomst van gisteren, die als grootscheeps vertoon van nationale eensgezindheid was aangekondigd. Negentig procent van de aanwezigen was duidelijk van Palestijnse afkomst. Onder luid gejuich werden portretten van Yasser Arafat en Palestijnse vlaggen in het stadion rondgedragen. Saddam Hussein werd bejubeld als de toekomstige bevrijder van Jeruzalem. De spandoeken en leuzen van de Moslim Broeders werden door de meeste aanwezigen in het stadion met ijzige stilte ontvangen.

Uit het vak waarin de aanhangers van deze partij zich hadden opgesteld klonk een verontwaardigd “Allah Akhbar” (God is groot) toen een christelijke woordvoerder van het Comite ter verdediging van de intifadah het woord nam en betoogde dat Jezus een stenengooier zou zijn als hij nu nog steeds in Nazareth zou wonen. Op een spreker namens Al Fatah werd met de kreet “Hamas! Hamas!” gereageerd. Hamas is de naam van een ondergrondse verzetsorganisatie die, anders dan de PLO, de strijd van de Palestijnen in de eerste plaats als een godsdienstoorlog ziet. Toen een Jordaans parlementslid de gouden tijden van het pan-Arabisch nationalisme onder Nasser in herinnering bracht werd het de Moslim Broeders helemaal te machtig. Op de tribune brak een vechtpartij uit tussen voor- en tegenstanders van de grote Egyptenaar, die in zijn dagen de Moslim Broederschap bloedig heeft onderdrukt. De manifestatie moest worden geschorst tot de politie met knuppels de Arabische nationalisten van de moslim-fundamentalisten had weten te scheiden. “Broeders, wij zijn hier om de eenheid te versterken, niet om elkaar te bevechten”, riep de speaker van het stadion met een stem die trilde van wanhoop.

Bij het vallen van de avond stak een koude wind op. Zoals bij iedere wedstrijd waarvan de uitslag bij voorbaat vaststaat begon het publiek nog voor het slotsignaal in groten getale de tribunes te verlaten. De laatste sprekers riepen nog slechts voor een handvol toehoorders op om solidair te zijn met het volk van Irak wanneer het de Amerikanen binnenkort in de olievelden van Arabie zal gaan verbranden. Op de televisie zei koning Hussein een paar uur later dat hij nog steeds bidt voor vrede en dat een oorlog voorkomen moet worden tot iedere prijs.

    • H. M. van den Brink