Rapport: traditionele rolpatronen verwaterd

RIJSWIJK, 15 jan. - De traditionele roltyperingen van huisvrouw, studerende en werkende voldoen niet meer. Mensen vervullen deze bezigheden steeds meer naast elkaar. Dat is een conclusie van het rapport “Tijd komt met de jaren” van het Socaal en Cultureel Planbureau (SCP).

Vooral mensen van 20 tot 50 jaar met een hoge opleiding hebben het druk. Zij besteden ongeveer 50 uur per week aan huishoudelijk werk en betaalde arbeid. Bovendien volgen zij meer cursussen dan andere bevolkingsgroepen, gaan zij vaker uit en reizen zij meer. Over het algemeen wonen zij in de grote stad en verdienen per huishouden 3000 tot 4000 gulden netto per maand. Boven dat inkomen wordt het wat rustiger, omdat dan een huishoudelijke hulp of kinderoppas in beeld komt.

Doordat vrouwen meer tijd aan betaalde arbeid zijn gaan besteden, is hun aandeel in het huishoudelijk werk iets afgenomen. Ze doen echter nog altijd veel meer dan mannen. Vrouwen van 20 jaar en ouder besteedden in 1985 gemiddeld 33 uur per week aan het huishouden tegen 36 uur in 1975. Mannen breidden hun huishoudelijke arbeid uit van 10 tot 12 uur per week.

Bij de tweeverdieners doen vrouwen drie keer zoveel aan het huishouden dan mannen, bij de alleenverdieners 4, 5. In 1975 lagen die verhoudingen respectievelijk op 4: 1 en 6: 1.

Vrouwen hebben ook steeds minder zin in het huishouden, terwijl mannen zich wat meer bereid hebben verklaard. “De groep van full-time huisvrouwen is in aantal belangrijk geslonken en bovendien sterk vergrijsd”, aldus het rapport. Het percentage vrouwen dat zich huisvrouw noemt is tussen 1975 en 1985 afgenomen van 64 tot 54 en de gemiddelde leeftijd steeg van 52 tot 56 jaar.

Uit de cijfers blijkt ook dat de 'nieuwe' huishoudens minder tijd besteden aan de zorg voor verwanten, de zogenoemde informele hulp. “Twijfels over te hooggespannen verwachtingen met betrekking tot een zorgzame samenleving lijken gegrond”, zo luidt de boodschap van het SCP aan de politieke partijen. Het bureau zegt dat nader onderzoek noodzakelijk is.

De deelneming aan betaalde arbeid is in de leeftijdsgroep van 16 tot 64 jaar gelijk gebleven op 56 procent. Het percentage mensen dat zei meer dan 40 uur per week te werken is drastisch afgenomen van 42 in 1975 tot 23 in 1985, vooral als gevolg van arbeidstijdverkorting.

“Tijd komt met de jaren” - de titel slaat op het feit dat ouderen meer tijd dan jongeren hebben voor hun bezigheden - is het laatste van een serie rapporten van het SCP aan de hand van het tijdsbestedingsonderzoek uit 1985. Eerder analyseerde het SCP mediagebruik, cultuurparticipatie en vrijetijdsbesteding. (ANP)