Proclamatie van de Anti Aannemers Brigade (1); Niagara in West-Beiroet

Wij van de Anti Aannemers Brigade zijn het zat.

De aanleg van mijn dakterras op het zuiden zou klaar zijn op 1 maart vorig jaar. Zodat we in het voorjaar meteen van de prille zon konden genieten.

Begin januari zei de aannemer: “Waarschijnlijk zijn we er deze maand al doorheen, maar 1 maart halen we zeker.”

Half februari kwamen de slopers binnen. Een stel onbehouwen kinkels uit Brabant, die op weg naar zolder alle etages vol stampten met witte, stoffige voetstappen, en die bij het lichten van de dakpannen er meteen twee naar beneden lieten glippen, dwars door het dak heen van 't schuurtje van de benedenbuurvrouw. “Verzekering dekt de schade”, riep de aannemer, “even Apeldoorn bellen.”

Gelukkig kregen we een mild voorjaar en een mooie zomer. Want tot de bouwvakvakantie kwam er niemand meer opdagen. Ons dak vertoonde een groot gapend gat op de plaats waar het dakterras moest komen en de kale houten vloer die daardoor overgeleverd werd aan de grillen van het weer, was provisorisch afgedekt met zeildoek. Vanaf de zolder hadden we nu weliswaar een prachtig uitzicht op de binnenstadstuinen, maar het huis zag eruit alsof het gelokaliseerd was in West-Beiroet.

Nachten lang had ik angstdromen dat de wind onder het dak zou slaan en de hele kap naar zo'n binnenstadstuin zou blazen. Ook was het erg lawaaiig, zo'n gat in je huis.

Na de bouwvak kwamen twee timmermannen, maar toen ze de kozijnen in skeletbouw hadden neergezet, kregen ze ruzie met de aannemer omdat ze een balk in de goot hadden vastgenageld. Met de spijkers dwars door het zink heen. Tot half september gebeurde er niets. Ik belde drie keer per week naar het kantoor van de aannemer, maar kreeg hem niet vaker dan eenmaal in de drie weken te pakken. Dan beloofde hij de eerstvolgende maandag met het karwei verder te gaan. Mijn afkeer van de man en zijn kletspraat groeide uit tot haat. Maar ik had vijf mille aanbetaald en er was nog een schadegeval te regelen: het dak van het schuurtje van de benedenbuurvrouw.

Toen begon het te waaien en te regenen, dagen achtereen. Het water was niet te stoppen. Het gutste onder het zeil door naar binnen, stroomde door de gaten in de goot, lekte door de plafonds en kwam in een kalme stroom de trap af. Een soort Niagara, die al vlot de benedenbuurvrouw bereikte.

De aannemer was niet bereikbaar en - naar later bleek - ook niet verzekerd. Met Apeldoorn is nooit gebeld.

Ik eis mijn vijfduizend gulden terug. Ik eis schadevergoeding. Ik eis smartegeld. Ik eis een brede volksbeweging die de strijd aanbindt met die vervloekte rotaannemers!

Sluit u aan bij de AAB.

Wie A zegt moet B zeggen.