Opnamen slachtoffers voor opleiding politie

ROTTERDAM, 15 jan. - Het intern gebruik bij de politie van videobanden met beelden van slachtoffers van geweldsmisdrijven voor opleidingsdoeleinden hoeft volgens justitie niet aan regels te worden gebonden. Ook de familie van de betreffende slachtoffers hoeft niet te worden ingelicht over het bestaan of gebruik van de banden.

Dat zegt persofficier van justitie in Haarlem mr. C. Hemmes-Boender in een reactie op het bekend worden van het bestaan van videobanden met daarop de opgraving en sectie van de eind 1987 ontvoerde en vermoorde G. J. Heijn.

De familie werd zaterdag pas op de hoogte gesteld van het bestaan van deze banden. Volgens een woordvoerder van het Ahold-concern reageerde de familie Heijn geschrokken op de mededeling. “De familie wist wel dat videobanden van de reconstructie van de ontvoering voor intern politiegebruik dienden. Van het bestaan van deze bewuste banden waren slechts enkele mensen binnen het concern op de hoogte”, zegt de Ahold-woordvoerder. Bijna drie jaar na het overlijden van G. J. Heijn is nu de familie ingelicht omdat drs. T. van Dijk in zijn afstudeerscriptie aan de universiteit van Leiden op het bestaan van de banden had gewezen.

Volgens de woordvoerder is de familie Heijn niet door de politie ingelicht, maar door de raad van bestuur van het Ahold-concern. Hij voegt daaraan toe dat van de zijde van de familie verder geen stappen worden ondernomen.

Persofficier Hemmes-Boender vindt het “ethisch verantwoord” dat nabestaanden niet van het bestaan en gebruik van de videobanden op de hoogte worden gebracht. “Die banden worden alleen voor intern gebruik gemaakt en ze worden puur voor educatieve doeleinden vertoond. Er wordt zeer zorgvuldig mee omgesprongen waardoor een regeling omtrent het gebruik van de banden niet nodig is.”