Kroller-Muller richt zich meer op hedendaagse kunst

De kunsthistoricus Evert van Straaten (42) is sinds 1 december 1990 de nieuwe directeur van het Rijksmuseum Kroller-Muller in Otterlo. Gisteren zette hij zijn beleid uiteen. “Ik zal geen tentoonstellingsmachine door het gebouw jagen”.

OTTERLO, 15 jan. - “Ik wil het oude en het nieuwe met elkaar in verband brengen. De continuiteit van dit museum moet doorgetrokken worden door steeds terug te kijken van het heden naar het verleden”. Dat zei de nieuwe directeur van Rijksmuseum Kroller-Muller in Otterlo, Evert van Straaten (42), gistermiddag.

Van Straaten, eerder hoofd Presentatie Binnenland van de Rijksdienst Beeldende Kunst (RBK), zei zich goed te kunnen vinden in het beleid van zijn onlangs gepensioneerde voorganger R. Oxenaar. Evenals Oxenaar wil hij de hedendaagse kunst, zowel tentoonstellingen als aankopen, in verband brengen met de historische avant-garde van begin deze eeuw, de oorspronkelijke collectie van Kroller-Muller, om zo de “doorgaande lijnen in de kunst” duidelijk te maken. Enkele aanvullingen in het hart van de verzamelingen lijken hem daarbij noodzakelijk: werken van onder anderen Brancusi, Modigliani en Picasso ontbreken bijvoorbeeld. In tegenstelling tot Oxenaar legt Van Straaten zich er niet bij neer dat dergelijke kunst onbetaalbaar zou zijn voor een museum. Fondswerving is onvermijdelijk.

Oxenaar promoveerde op Bart van der Leck. De kunsthistoricus Van Straaten hoopt binnenkort een proefschrift over Theo van Doesburg, de stuwende kracht in de Stijl-groep, te voltooien. Kunstenaars als Van der Leck, Gris en Messager - die teruggingen naar 'een geidealiseerde vorm van figuratie' - hadden in de jaren twintig de voorkeur van mevrouw Kroller-Muller; de volledige abstractie is in de collectie relatief onderbelicht gebleven, aldus Van Straaten. Toch zal hij juist aan die voorkeuren van mevrouw Kroller-Muller aandacht besteden.

Voor 1993 staat er een overzicht van Juan Gris op het programma, later volgt een volledige presentatie van Van der Lecks oeuvre, mits deze tentoonstelling te zijner tijd ook in het buitenland zal kunnen circuleren. Voor Van der Leck, de minder bekende van de Stijl-groep, moet over de grenzen meer belangstelling worden gewekt, vindt Van Straaten, die het promoten van Nederlandse kunst eveneens als een taak van Kroller-Muller ziet. Daarmee wil hij aanhaken bij recente grote Nederlandse tentoonstellingen als die van Schlemmer, Malevitsj en Lissitsky, om zo de aandacht op de “klassieken van de twintigste eeuw” te vestigen.

Er zullen ook vruchtbare “botsingen” in de kunstgeschiedenis in beeld worden gebracht, zoals de introductie van het kubisme in Nederland, en een tentoonstelling met de werktitel Parijs vierlandenpunt, gewijd aan vier kunstenaars van verschillende nationaliteiten - Morellet (Frankrijk), Gilbert (Engeland), Kelly (Verenigde Staten) en Constant (Nederland), die elkaar tussen 1948 en 1950 in Parijs sterk beinvloed zouden hebben.

Bij het aankoop- en tentoonstellingsbeleid zal het accent liggen op hedendaagse kunst van de laatste vijf jaar. Niet om jonge kunstenaars te pousseren - “het museum is geen galerie” -, maar om opnieuw aansluiting te zoeken bij de bestaande verzameling. Als eerste aankopen heeft Van Straaten een relief van Peter Struycken en twee fotowerken van de Fransman Jean-Marc Bustamante voorgedragen.

Ondanks alle respect voor de collectie kondigde Van Straaten ook een nieuwe lijn aan: zijn interesse gaat uit naar hedendaagse kunst die een idee in zich draagt over de maatschappelijke functie en invloed van de kunst en die niet louter over esthetiek gaat. De komende tentoonstelling van de Amerikaan Matt Mullican is daar een voorbeeld van.

Verder zei Van Straaten nog “geen tentoonstellingsmachine door het gebouw te willen jagen”, maar het aantal exposities van vier naar zes per jaar te willen opvoeren. Dit jaar staat nog een herinrichting van de beeldentuin op de agenda met werken uit depot. Er komt een volledige catalogus van de collectie beeldhouwkunst en een integrale uitgave van de beeldhouwerstekeningen uit eigen bezit.

Op beleidsmatig terrein zullen zich wijzigingen voordoen door toekomstige verzelfstandiging van de rijksmusea. Kroller-Muller wordt een naamloze vennootschap of een stichting, met de daarbij behorende meer bedrijfsmatige aanpak. Op grond van het Deltaplan voor Cultuurbehoud is besloten in het museum een eigen restaurateur aan te stellen. Om over een restauratie-atelier en meer kantoor- en depotruimte te beschikken wordt er gewerkt aan uitbreiding van het museum.

Anders dan Oxenaar wil Van Straaten zijn museum meer 'promoten'. Het publiek kan rekenen op meer achtergrondinformatie in de vorm van een serie kunsthistorische boekjes over de verzameling, vouwbladen, walkmans en een grotere en beter gekwalificeerde groep rondleiders. “Bezoekers moeten vaak een eind reizen om hier te komen. Dan moeten zij ook op hun wenken bediend worden”, aldus Van Straaten.

    • Renée Steenbergen