Het eerste slachtoffer van de oorlog is de waarheid

Nog geen schot is gelost in het Golfgebied, maar toch is er al weken een kleine oorlog aan de gang. Het conflict is tussen de westerse media en hun regeringen over de vraag, hoe een eventuele echte oorlog verslagen mag worden. Hoeveel journalisten mogen mee, wat mogen zij schrijven en filmen, zal er censuur zijn of niet? Dat zijn de concrete geschilpunten, maar in wezen gaat het om de vraag hoeveel het publiek te weten mag komen over het werkelijke verloop van een oorlog en het karakter daarvan. Wat zal er overblijven van grondrechten als de vrijheid van meningsuiting en het recht op informatie?

“Het eerste slachtoffer van een oorlog is de waarheid” zei de Amerikaanse senator Hiram Johnson in l917, en er is geen reden om aan te nemen dat het in een eventuele Golfoorlog anders zal zijn. Uiteraard zijn 'nieuwsmanagement' en 'beinvloeding' van de publieke opinie door overheden normaal in vredestijd. Elke regering, elk departement heeft specialisten in dienst die in theorie het beleid moeten verduidelijken, maar die in de praktijk nieuws, achtergronden en standpunten proberen te manipuleren. Dat is acceptabel, zolang het systeem doorzichtig blijft en actieve journalisten de vrijheid hebben om ook de achterkant van het gelijk te vinden en te belichten.

In een oorlogssituatie gaan echter andere mechanismen werken. De normale democratische regels worden opzij geschoven omdat er hogere belangen in het spel komen. Het moreel van de burgerbevolking moet goed blijven, en daarom is het ongewenst om negatieve berichten te publiceren. Wat goed of kwaad is voor die burgers wordt echter niet bepaald door burgers, maar door militairen en die hebben hun eigen hersendynamiek.

Het voornaamste argument voor nieuwsmanagement is de geheimhouding - de overweging dat de vijand niet meer mag weten dan goed voor hem is. Zouden wij willen dat er eigen soldaten de dood worden ingejaagd door publikaties in Britse kranten, of door levende beelden op CNN? Nee, dat wil niemand.

Zo bepalen generaals de grenzen van de geheimhouding, en dus van de openheid, en beperken zij de democratische controle. De crux is dat er niet gediscussieerd kan worden over die grenzen. De militaire censor die een artikel weigert, hoeft niet uit te leggen wat zo gevaarlijk is in het bericht, want die uitleg zou het geheim al verraden. Zo kan de censor alles verbieden wat hem niet aanstaat: bloedige beelden op het scherm, maar ook incompetentie, blunders , nederlagen.

SELECTIE

Nieuwsmanagement begint met de selectie van journalisten. Dertien kranten , tijdschriften en individuele journalisten, overwegend anti-oorlog, hebben een rechtzaak aangespannen tegen de nieuwe Amerikaanse richtlijnen voor oorlogscorrespondenten. De regels houden onder andere in dat de verslaggevers samenwerken in groepen onder militaire begeleiding, en dat zij hun oorlogsverslagen moeten voorleggen aan militaire censors. Wie niet wordt toegelaten tot een 'pool' krijgt geen accreditatie en dus geen hulp, en komt waarschijnlijk Saoedie-Arabie niet eens binnen. Het weekblad Time en andere media hebben bij de minister van Defensie Cheney geprotesteerd tegen het 'pool'systeem, waarbij journalisten hun kopij en eventueel beelden in een grote pot moeten stoppen.

De Amerikaanse autoriteiten hebben waarschijnlijk veel geleerd van hun ervaringen in Vietnam. Het beleid tegenover de media was ruimhartig, ook omdat de invloedrijke kranten en televisiestations lang onveranderlijk pro-regering waren, anti-communistisch en dus voor de oorlog. De Brit Phillip Knightley beschrijft in zijn schitterende boek The first casualty dat elke journalist met een brief van zijn krant, en elke free-lancer met brieven van twee publikaties die zich bereid verklaarden artikelen op te nemen, accreditatie kregen.

De nieuwe correspondent ontving een uniform , of hij (of zij) ging naar de kleermaker om een khaki safaripak aan te laten meten. De nieuwe correspondent, desgewenst met pistool op de heup, kon dan op eigen houtje Vietnam in. Zo trokken duizenden reporters (gemiddeld 600 tot 700 op een gegeven moment in de latere jaren) door de oorlog. Serieuze journalisten, carrierejagers, sensatiezoekers, halve gekken, op zoek naar bloed, een Pulitzerprijs of de waarheid. Vijfenveertig van hen sneuvelden, achttien werden vermist. De Amerikaanse burgers thuis kregen niet het beeld van een frisse, vrolijke oorlog.

Het was anders dan in de Eerste Wereldoorlog, toen de correspondenten in de verste verte geen adequate beschrijving gaven van alle ellende in de vleesmolens van Verdun en Passchendaele. De verslagen over de Tweede Wereldoorlog waren daarbij vergeleken realistisch, maar toch nog romantisch en vaak zonder gruwelijke details - en vooral zonder televisie, maar uit Vietnam kreeg het publiek de rauwe werkelijkheid te zien: niet alleen gesneuvelde soldaten, maar ook het sneuvelen, het kreperen.

Over de vraag of Amerika de Vietnamoorlog op de televisieschermen in de huiskamers heeft verloren, wordt nog steeds gedebatteerd. Maar het Pentagon heeft zijn lessen geleerd. Bij de invasie van het minieme eiland Grenada in l983 en de aanval op Panama om de in ongenade gevallen dictator Noriega te verwijderen in l989, werd om 'veiligheidsredenen' helemaal geen pers toegelaten. Pas na de operaties mochten de journalisten ter plaatse beoordelen hoe deze kleine oorlogen waren verlopen.

FALKLANDOORLOG

De Britten hebben met de pers veel ervaring opgedaan in de Falkland-oorlog. De Armada had wel journalisten aan boord, maar het management van het nieuws was betrekkelijk eenvoudig omdat alle journalisten, schrijvers, fotografen en televisiemensen- waren aangewezen op de communicatiemiddelen van leger en vloot. De censoren konden schrappen of verzending vertragen, en daarna deden hun collega's in Londen hetzelfde. Het werd, simpel gezegd, een chaos. Uit een post-mortem onderzoek van de Defensie-commissie uit het Lagerhuis bleek dat animositeit tussen de verschillende krijgsmachtonderdelen een grote rol had gespeeld. Er waren fricties en misverstanden tussen regering en defensiestaf, en er werd vlot gelogen, uit naam van het nationale belang.

In elke oorlog worden media gebruikt voor misinformatie of desinformatie: misleiding van de vijand kan mensenlevens sparen. Het klassieke voorbeeld is de operatie die de geallieerden hebben opgezet om de Duitsers te laten geloven dat de invasie in l944 bij Calais zou komen, en niet in Normandie. Ook in de Falklandoorlog werden de media ingeschakeld. Soms actief Britse journalisten gingen ermee akkoord om niet te schrijven dat de ontsteking van Argentijnse bommen verkeerd was afgesteld zodat die niet ontploften. In een ander geval, nadat Argentijnse vliegtuigen Britse landingsschepen hadden gebombardeerd bij Bluff Cove, circuleerden in de pers berichten over 750 doden. Of dat getal met opzet was gelekt was niet duidelijk, maar het ministerie van Defensie besloot in elk geval om het bericht niet te corrigeren om de Argentijnen te misleiden.

Het werkelijke dodencijfer bleek 43 te zijn. Aan de andere kant overdreven de Britten het effect van hun bombardementen op het vliegveld van Port Stanley , en de media slikten dat- geen journalist kon de berichten controleren.

De Defensiecommissie uit het Lagerhuis keurde later de hele en halve leugens goed: “Wij aanvaarden dat er militaire overwegingen kunnen zijn om het publiek niet de hele waarheid te vertellen (... ) en wij geloven dat dergelijke en nog duidelijkere voorbeelden van misinformatie gerechtvaardigd zijn als hun netto bijdrage aan de oorlog positief is en als zij gebruikt worden om belangrijke militaire operaties te beschermen.”

Zo geformuleerd is daar weinig bezwaar tegen in te brengen. Maar in een oorlog is het militaire apparaat officier van Justitie, verdediger en advocaat tegelijk. De militaire censors alleen weten wat geheim is volgens hun Catch 22-code: wat geheim is geheim omdat het geheim is. Ondanks alle openheid in Vietnam werden publiek en volksvertegenwoordiging bijna tot het einde toe misleid over de werkelijke militaire situatie . Datzelfde gebeurde overigens met schattingen over de militaire kracht van de Sowjet Unie: nu pas weten wij dat de meeste rapporten flagrant overdreven.

OPPASSERS

Zal het in een eventuele Golfoorlog anders lopen? Waarschijnlijk niet. Er is een duidelijk verschil met voorgaande conflicten: de grote televisienetten hebben nu hun eigen satellietverbindingen. Het publiek zal het nieuws waarschijnlijk sneller krijgen dan ooit te voren. Maar dat geeft nog geen garantie op authenticiteit. De militaire autoriteiten hebben ook voor de officiele correspondenten strikte gedragsregels opgesteld. Elke groep correspondenten krijgt een aantal oppassers mee, en er zijn veertien categorieen berichten genoemd die in elk geval aan de censor moeten worden voorgelegd. In de praktijk betekent dat complete censuur, op straffe van verwijdering uit het oorlogsgebied. De Britse regels zijn overigens aanzienlijk strenger dan de Amerikaanse, maar Britse journalisten zijn wel gewend aan discipline. Het zal overigens moeilijk zijn om alle coalitiegenoten dezelfde lijn te laten volgen, maar Amerikanen en Britten zullen toch een hoofdrol spelen.

NOS EN ANP

Ook Nederland heeft zijn officiele oorlogscorrespondenten. Het is een neutraal groepje: een cameraman en een verslaggever van het NOS-journaal, een radioverslaggever en een schrijver van het ANP. Zij hebben inmiddels een kleine training achter de rug om hun plicht te doen aan boord van een der Nederlandse fregatten. Het zijn de eerste oorlogsaccreditaties sinds de politionele acties in Indonesie in l948. De journalisten zijn onderworpen aan het militaire gezag, maar hun berichten zullen niet worden gecensureerd , omdat daarvoor volgens een defensie-woordvoerder geen wettelijke basis bestaat. Een geruststellende gedachte, te meer omdat de journalisten uiteraard volledig afhankelijk zijn van de marine voor hun communicatie.

Er is een zekerheid: als er oorlog komt in de Golf, zullen wij niet, of in het gunstigste geval veel later, weten wat er werkelijk gebeurt. Elke oorlog is een chaos waarin ook hoge militairen vaak geen idee hebben waarmee zij bezig zijn. Er zijn altijd belangen te verdedigen, reputaties op te houden en blunders te verbergen. Krijgsmachtonderdelen concurreren met elkaar, televisiestations wedijveren om de gruwelijkste actiebeelden, journalisten moeten hun reis waarmaken en eerder met nieuws komen dan collega's. En wie geen eigen nieuws heeft, moet zijn verhaal baseren op geruchten en derdehands getuigeverklaringen.

Krantelezers en televisiekijkers zijn verstandig als zij in normale tijden al het nieuws met reserve bekijken; oorlog is een georganiseerd complot om de waarheid om zeep te helpen. Het eerste slachtoffer is al gevallen.

    • W. Woltz