Gasmaskerdistributie gebeurt meestal selectief

“Zou Jezus ooit een gasmasker hebben opgezet? Zou Jezus zich lenen voor massamoord (... ) Sluit U af, vouw de handen binnenskamers, bid God, dat Hij U kracht en wijsheid en moed moge geven tot Zijne taak. Vraag U af, of het Zijne wil is, dat Christenen het gasmasker voordoen, of, als ze er een gekregen hebben, het terugsturen?”

Aldus sprak de Nederlandse hervormde predikant Cohen te Dokkum op 8 maart 1936 nadat in Nederland de eerste luchtbeschermingsoefeningen waren gehouden. De preek werd zo controversieel geacht dat Justitie de schriftelijke weergave ervan in beslag nam. Nu - een halve eeuw later - doet een nieuwe generatie christenen opnieuw een beroep op het Nederlandse volk. Zij willen er echter juist op toezien dat bij de dreiging van een gasoorlog in Israel echt iedereen daar een gasmasker krijgt.

Het bestuur van de Evangelische Broedergemeenten kondigde meteen na het mislukte overleg tussen Baker en Aziz aan onder haar leden te gaan collecteren voor de Palestijnse bevolking in de door Israel bezette gebieden. In tegenstelling tot de Israeliers, die het gasmasker via sociale premies al hadden voorgefinancierd, moeten de Palestijnen dit beschermingsmiddel zelf betalen. Volgens de EO tekende het Centrum voor Informatie en Documentatie Israel (CIDI) tegen dit voornemen protest aan: de Palestijnen in de bezette gebieden waren immers pro-Irak en dus geen legitieme doelgroep voor een collecte.

Zolang het gasmasker tegen strijdgassen bestaat, zijn er enerzijds potentiele slachtoffers van chemische wapens die om de een of andere reden niet over een gasmasker kunnen of willen beschikken en anderzijds commentatoren die dit al dan niet een juiste gang van zaken vinden. Het gasmasker leidt immers, hoe effectief ook geconstrueerd, door zijn individuele karakter bijna automatisch tot selectieve bescherming.

Het beleid van de regering van Israel is er op gericht alle 4, 5 miljoen inwoners een gratis gasmasker te verschaffen. De officiele woordvoerders die hierin worden gesteund door testers en producenten, suggereren dat een integrale distributie de bevolking onkwetsbaar maakt voor chemische wapens.

GASTUCHT

Maar de sociale selectie, nog afgezien van de kwestie van de 'gastucht' zoals het in de jaren dertig werd genoemd, heeft van meet af aan een bres geslagen in de officiele ideologie. De relatief hoge prijs (ongeveer 200 gulden) die het gasmasker de overheid kost, werkt deze selectie in de hand.

Zo krijgen militairen uitgebreidere gasbescherming dan burgers; stedelingen maken meer en eerder kans op een gasmasker dan de plattelandsbevolking; de eigen bevolking krijgt voorrang op aanwezige buitenlanders; de verkrijgbaarheid van volwassenen-maskers is groter dan kinder-maskers, enzovoorts. Behalve deze meetbare selectiepolitiek moet ook nog eens rekening worden gehouden met de onmeetbare praktijk, waarin mensen onmerkbaar tussen de mazen van het distributienet doorglippen. Net als de orthodoxe protestanten in Nederland in de jaren dertig zal ook Israel zijn principiele weigeraars kennen.

Bij de gasmakskerdistributie in Nederland ging het destijds om min of meer dezelfde sociale selectie-principes. Men was er toentertijd van overtuigd dat de Duitsers zeker gas ('het verschrikkelijkste moderne oorlogswapen') zouden gebruiken. Strijdgas moet als angstverwekker in die tijd gelijk hebben gestaan met de latere atoombom. De gehele bescherming van de bevolking tegen oorlogsrampen stond, net als nu in Israel, in het teken van de gasbescherming. Het gasmasker werd als het meest effectieve beschermingsmiddel gepropageerd. Uit zuinigheidsoverwegingen besloot de Nederlandse overheid echter, in tegenstelling tot nu de Israelische, slechts een deel van de bevolking (een half procent in totaal) dit gasmasker gratis te verstrekken. Om deze beperkte gasmaskerdistributie te kunnen uitvoeren, deelde de overheid de bevolking in een 'actief' en een 'passief' deel in. Voor de 'actieve' bevolking kwamen zogenaamde 'actieve', voor de 'passieve' bevolking 'passieve maskers'. De publieke roep om een integrale gasmaskervoorziening bleef echter tot aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog voortduren.

De 'actieve' bevolking bestond, behalve uit militairen, ook uit mensen die uit hoofde van hun functie essentieel werden geacht voor de “voortzetting van het maatschappelijk leven in oorlogstijd”, zoals dat toen heette. Behalve allerlei beleidsambtenaren vielen hieronder ook uitvoerende ambtenaren zoals brandweer, politie en GGD. Ook de medici en de leden van de vrijwillige Luchtbescherming, een soort Bescherming Bevolking, kregen het gratis gasmasker. Al deze mensen beschikten vanaf dat moment over het 'actieve' masker, met een uitgebreide bescherming. De 'passieve' bevolking behelsde de rest, het merendeel van de mensen dus. Zij moesten zelf voor een gasmasker zorgen.

FLATTEREND

Deze laatste was geen homogene groep. De meer draagkrachtigen bijvoorbeeld lieten hun aankoopbeleid bepalen door twee factoren. Of ze letten vooral op de kwaliteit en schaften het actieve gasmasker aan of ze letten bij de aankoop vooral op vormgeving. Zo kon men in 1935 onder de kop 'Flatterende gasmaskers' in de Telegraaf het volgende onderschrift bij een foto lezen: “Een groot modehuis te Parijs lanceert als nieuwste creatie modieuze gasmaskertjes voor dames van roze zijde”. Ook waren er allerlei particuliere vrijwilligersorganisaties die onder hun leden gasmaskers uitdeelden. De gewapende Burgerwacht was zich, bij gebrek aan 'revolutionaire woelingen', meer en meer gaan toeleggen op de 'luchtbescherming'. Het Rode Kruis en de EHBO-verenigingen gingen ertoe over met name in de grote steden gasmaskers te verstrekken aan hun vrijwilligers. Een onderdeel van het programma van het Nationaal Jongeren Verbond bestond uit oefeningen in de 'gasdiscipline'. Opmerkelijk was dat het door deze groepen veelal gebruikte actieve gasmasker van Duitse makelij was en ook de instructeurs voor het gebruik van deze gasmaskers waren voor het merendeel van Duitse afkomst. Een foto-onderschrift uit die tijd in de eerdergenoemde krant bevestigde dit: “Achter het stadion te Amsterdam zijn gisteren gasbeschermingsoefeningen gehouden voor autoriteiten, medici en anderen, onder leiding van Ir. Plath uit Lubeck. De cursisten doen vrije oefeningen met het gasmasker op”.

Voor het merendeel van de passieve bevolking was de aanschaf van het gasmasker echter een financiele aderlating. De gasmaskers die beantwoordden aan de minimale eisen, zoals geformuleerd in het Gasmaskerbesluit van 1937, kostten in die tijd op de vrije markt ongeveer vijf gulden. Het kindergasmasker, een soort gasdichte couveuse, was wegens de veel hogere prijs voor de meesten volledig onbereikbaar. De Groene Amsterdammer publiceerde over deze schrijnende toestand dit kinderversje: “Vlieger over land en zee - Breng voor 't kindje bommetjes mee - Mosterdgas en chloorpicrine - In je mooie vliegmachine - Gas is giftig, bloed is rood - Als de bom valt is 't kindje dood”.

Volksmasker

Om de gewone burger toch in de gelegenheid te stellen een gasmasker aan te schaffen, kwam de nationale overheid in 1939 met het zogenaamde volksgasmasker. Dit gasmasker-voor-de-armen kostte ongeveer twee gulden. Om voor de massale aankoop hiervan niet langer afhankelijk te zijn van de potentiele vijand, werd in 1938 in het toenmalige Nederlandsch-Indie de eerste 'eigen' gasmaskerfabriek gebouwd. Het hier gefabriceerde gasmasker werd door het bedrijfsleven echter als 'zeer slecht' gekwalificeerd. De columnist John Luger alias Pasquino schreef na de Tweede Wereldoorlog in de Telegraaf dat er “millioenen gasmaskers” zijn geweest die “of niet pasten, of lek waren, of alleen maar deugden tegen de gewone gaskraan”. Dit kon alleen maar slaan op het volksgasmasker.

Vooral vanuit militaire hoek probeerde men de steeds luidere roep om integrale verstrekking van gratis goede gasmaskers af te doen als sabotage van de Luchtbescherming. Luitenant-kolonel Schilderman wilde bij een gasaanval de bevolking het liefst in kelders en schuilplaatsen onderbrengen: “De geheele bevolking van gasmaskers voorzien, zooals vaak door openlijke of verkapte tegenstanders van luchtbescherming noodzakelijk wordt genoemd, in de hoop daarmede de practische onuitvoerbaarheid van luchtbescherming aan te toonen, is (... ) geheel overbodig, waar collectieve bescherming veel meer effectief zal blijken dan individuele”. Ook de 'militaire medewerker' van het Algemeen Handelsblad vond de bevolking veeleisend en egoistisch: “Juist om de algemeene veiligheid te dienen, moet hier gewaakt worden tegen eenzijdige en voortijdige opdrijving der eischen”.

WEIGERAARS

Ten slotte waren er ook mensen, zoals in het begin al aangestipt, die gewoonweg weigerden een gasmasker te dragen. Hiertoe behoorde de orthodoxe protestant maar ook de rechtgeaarde pacifist. Beiden gingen van het standpunt uit, dat een beschermingsmiddel de kans op oorlog alleen maar groter maakte. Professor Heering, theoloog en predikant, verwoordde dit standpunt als volgt: “Het ergste is, dat door de medewerking aan deze luchtmanoeuvres het volk vertrouwd worden gemaakt met het allergemeenste karakter van den moderne oorlog en langs dezen weg er toe gebracht wordt, dien oorlog te aanvaarden als iets onvermijdelijks. Men kan ook gewetens vergassen”. In Nederland deed het er gelukkig uiteindelijk niet toe of je wel of geen gasmasker had. Het is te hopen dat de Iraakse dreiging met gas eveneens loos alarm is en daarmee de selectieve gasbescherming, hoe relatief naar Nederlandse maatstaven dan ook, voor de Israelische bevolking van geen belang zal blijken.

    • Rieke Leenders