'De Amerikanen zijn zeer humaan, ze zullen installaties bombarderen, geen mensen'; Irakezen balanceren tussen openbare durf en individuele wanhoop

BAGDAD, 15 jan. - Een winkelier valt een snuisterijen-winkel hartje Bagdad binnen om zijn buurman het laatste gerucht te vertellen. “De Irakezen”, zegt hij somber, “hebben duizenden nieuwe doodskisten gemaakt en verscheept naar Koeweit”. Dan valt zijn oog op een Amerikaanse bezoeker, de koopman herwint zijn Iraakse bravoure en schimpt: “Ze zijn natuurlijk bestemd voor jullie soldaten”.

Met het vooruitzicht op een oorlog, nog slechts uren verwijderd, is Bagdad een angstige mengeling van openbare durf en individuele wanhoop. Terwijl het ministerie van onderwijs schoolexamens aankondigd, sturen gezinnen hun kinderen naar familieleden op het platteland. Irakezen praten de oorlogszuchtige taal van Saddam Hussein na om vervolgens zenuwachtig af te stemmen op de Voice of America om uit te vinden wat er werkelijk aan de hand is.

In het Iraakse Nationale Museum is het personeel bezig de laatste stukken van de 200.000 tellende collectie in metalen kratten te verpakken. De Grote Mesopotamische Expositie, oorspronkelijk bestemd om in zes Amerikaanse steden ten toon te worden gesteld, is in plaats daarvan opgeslagen in een bunker.

Voor directeur Muamad Damerji is dit routine, tijdens de acht jaar durende oorlog tegen Iran moest hij zijn museum driemaal ontruimen. “De oorlog staat voor de deur, maar het interesseert niemand”, zegt hij, “het is normaal voor de Irakezen.” De wijdverspreide kalmte heeft twee gronden: het geloof dat acht jaar oorlog Irak hard genoeg heeft gemaakt voor elke strijd en het 'wensdenken' dat de Amerikaanse wil tot vechten zal inzakken.

De meeste Irakezen denken nog steeds dat de Amerikanen niet de durf hebben Irak aan te vallen of dat de vastberadenheid zal wijken met het beeld van de eerste Amerikaanse gesneuvelden. En als er toch oorlog komt, geloven velen heilig wat Saddam Hussein hen herhaaldelijk heeft gezegd: Iraks wapenarsenaal en de ervaring van de soldaten maakt het land onoverwinnelijk.

“Er is een verschil tussen degenen die alleen maar Rambo-films hebben gezien en zij die daadwerkelijk oorlogen hebben uitgevochten”, zei de Iraakse president gisteren in een felle rede voor de radio.

Het zelfvertrouwen van de president vindt weerklank in de Iraakse bureaucratie. Toen een van de laatste buitenlandse diplomaten naar het ministerie van buitenlandse zaken ging om zijn vertrek aan te kondigen, dromden ongelovige functionarissen samen in de hal van het gebouw en vroegen hem naar de reden van vertrek. “Ze wachten op het wonder, waarvan ze zeker zijn dat het hen zal overkomen”, zegt de diplomaat, die als een razende zijn koffers pakt.

Zelfs na het massale vertrek van de diplomaten declameerden de Irakezen de afgelopen dagen lustig een lijst van mogelijke redders in nood: het Amerikaanse Congres, Europese bemiddelaars, de bezoekende Perez de Cuellar. Nu al deze hoop is vervlogen, vallen de Irakezen terug op een tegenstrijdig vertrouwen in het Amerikaanse karakter en de precisie van de Amerikaanse wapens.

“De Amerikanen zijn zeer humaan, ze zullen installaties bombarderen, geen mensen”, zegt Mohammed al-Said, die is opgeleid aan een universiteit in de VS en die al 45 jaar een Amerikaanse correspondentievriend heeft. Als de koopman hoort dat de Amerikanen mogelijk 2.000 bombardementen per dag zullen uitvoeren op Irak, haalt hij zijn schouders op. “Het dichtstbijzijnde militaire doel is verscheidene blokken weg”, zegt hij en begroet een nieuwe klant.

Niet iedereen is zo opgewekt. De duidelijkste aanwijzing voor de stille angst van de Irakezen is misschien wel de plotselinge gretigheid hun hart te luchten tegenover buitenlanders. In dit met ijzeren hand geleide land was een dergelijk contact met buitenstaanders tot voor kort vrijwel ondenkbaar.

Een Bagdadse ingenieur klust 's nachts bij als taxichaufeur om genoeg geld te verdienen voor het aanleggen van voorraden voedsel en brandstof in geval van oorlog. Tuffend in de vervallen taxi van zijn neef, bekent hij snel: “Ik ween van binnen, alleen stommeriken zijn niet bang”. Hij maakt bijna een botsing na een grove verkeersovertreding. “Heel Bagdad is gek geworden”, zegt hij trillend. Zelfs afvallige moslims zoals de part-time taxi-chauffeur gaan dezer dagen naar de moskee.

Of ze gaan wedden op paarden. Op de Renbaan van Bagdad hijsen enige duizenden mannen bier en bestuderen de deelnemerslijst terwijl de favoriet in race 5, Meedogenloos, uit de startbox sprint. Op het rechte stuk neemt een fors paard, Emir genaamd, enige lengtes voorsprong. De menigte zucht en steunt. “Dit is een slecht voorteken”, grapt Yussef Entoni, een hoogleraar wiskunde in ruste, “emirs zijn voor Koeweit en de Golf-staten. We houden niet van hen in Irak.” Emir wint.

De houding ten opzichte van de oorlog is op de renbaan, in nachtclubs en in de druk bezochte restaurants er een van vrijwel totale ontkenning. Hassan Abdul Karim herinnert zich dat hij vier jaar geleden op de tribune zat tijdens een race, toen een Iraanse raket doel trof in het centrum van Bagdad. “Ik schudde mijn hoofd en ging wedden op de volgende race”, zegt hij “en ditmaal zal het niet anders zijn”.

Maar op de Amerikaanse ambassade zegt Bob Kandra, een consulair functionaris, te midden van een berg versnipperde documenten, dat deze oorlog wel eens heel anders zou kunnen zijn. “Willen jullie hier blijven en opgaan in rook”, vraagt hij tegen Amerikaanse journalisten. Hij geeft hen nog de kans mee te gaan met het gecharterde vliegtuig van de Amerikaanse regering. De meeste verslaggevers slaan het aanbod af, maar de ambassade krijgt op het allerlaatste moment nog wel veel verzoeken van anderen mee te mogen. Onder hen is ook een Amerikaan die de afgelopen tijd in een Iraaks 'vredeskamp' verbleef.

Sinds gisteren is de diplomatieke wijk van Bagdad veranderd in een spookstad. De Duitse ambassadeur verbijsterde de diplomatieke gemeenschap vorige week door enige uren na het mislukken van de Iraaks-Amerikaanse ontmoeting in Geneve Irak uit te sluipen zonder de Iraakse autoriteiten of collega-ambassadeurs hiervan in kennis te stellen.

De 71 jaar oude Britse Club is vrijwel leeg. Geen klanten voor de vleespasteitjes, geen spelers bij het dartbord dat hangt naast het portret van koningin Elisabeth. Zondag was er een gast, de laatste vertegenwoordiger van de Verenigde Naties, Gyorgis Yacub, die een partijtje biljartte met de portier. “Niemand vandaag”, zegt de man.

In zijn half ingepakte woonkamer haalt een diplomaat uit het Midden-Oosten een hand door zijn haar. Hij spreekt verbijsterd over zijn vertrek. “Ik word ervoor betaald oorlogen te voorkomen. Ik heb gefaald. De teugels zijn overgegaan in de handen van de generaals. Als het laatste schot is gelost mogen wij terugkeren om de rotzooi op te ruimen”.

Zijn terugblik op de vijf maanden oude crisis is een litanie over de aaneenschakeling van diplomatieke fouten: de voormalige staatslieden en beroemdheden die naar het hof van Saddam kwamen om te pleiten voor de gijzelaars, de niet overtuigende taal van de VN-resoluties, het entameren van te veel verschillende vredesinitiatieven en het steeds meer tegen elkaar opbieden van Irak en de VS.

“Sinds 2 augustus”, zegt hij “heeft Saddam niet een stap teruggedaan, maar wij bleven maar dansen. Tot dusverre zij we telkens voor hem opzij gegaan. Daarom zijn we nog hier, omdat Irak verwacht dat we dat zullen blijven doen.”

De leegloop van de ambassades heeft het ritueel van de Iraakse betogingen niet tot staan gebracht. Een paar uur nadat de laatste Amerikaanse diplomaten Bagdad verlieten, gingen 400 schoolkinderen met portretten van Saddam Hussein op weg naar de Amerikaanse ambassade voor het zoveelste protest.

“Wij waren aan de beurt vandaag” zegt Suhail Abdullah, leraar Engels die tot zijn verbazing ziet dat de ambassade leeg is en de Amerikaanse vlag is gestreken om ontheiliging te voorkomen. Onverschrokken heft hij een onderwijzersstokje en dirigeert zijn leerlingen in de leus: “Geen verdere oorlog”. Het jongetje Omar haalt even de lollie uit zijn mond om mee te roepen en holt dan weg met zijn vriendjes. “Jongens zijn jongens”, zegt Abdullah, “ze willen spelen.” Maar veel kinderen zijn bang, “thuis horen ze van hun ouders dat iedereen spoedig tot stof zal zijn vergaan.”

Die zekere boodschap is niet afkomstig van de Iraakse functionarissen. Hoofdartikelen in de door het bewind gecontroleerde pers beloven “verbrijzelde botten uitgestrooid over de woestijn” en een “moeras van bloed” waarin de lijken van de “Amerikaanse aanvallers” zullen zwemmen.

Op een islamitische conferentie, het afgelopen weekeinde, was de toon zo extreem dat de Amerikaanse prediker Louis Farrakhan, tot zijn eigen verbazing een van de gematigden was. Farrakhan, een charismatische zwarte moslim-geestelijke (hij bevond zich enige tijd in het gevolg van dominee Jesse Jackson en laat zich voorstaan op zijn anti-semitisme) wil alle macht aan de zwarten in de VS door aan te zetten tot geweld tegen blanken. “De mensen zijn hier zeer overtuigd van dat heilige oorlog-ding, maar wij zijn er nog niet zo van overtuigd of dat wel de juiste weg is”, aldus een woordvoeder van Farrakhan, die zei voor een “vreedzame islamitische oplossing” van de Golf-crisis te zijn.

De luide retoriek staat in schril contrast met de rustige voorbereidingen op de oorlog in Bagdad. De stad ademt nog steeds een vrij kalme sfeer uit. Van veel gebouwen zijn de ruiten kruiselings afgeplakt met plakband als bescherming tegen rondvliegend glas. Noodbruggen liggen gereed voor het geval de bruggen over de Tigris zullen worden gebombardeerd. Maar er zijn weinig zandzakken zichtbaar, evenmin als luchtafweergeschut. Op de zuidelijk weg uit Bagdad houdt de politie bussen aan om ze te vorderen voor het transport van troepen. De prijs van tweedehands wagens is verdubbeld, veel mensen bereiden zich in alle stilte voor op vertrek uit de hoofdstad. De heilige steden Kerbala en Najaf in het zuiden zijn de meest genoemde bestemmingen. Irakezen geloven dat de kans dat die steden zullen worden gebombardeerd gering is.

De rustige voorbereiding maakt dat veel Irakezen denken dat Saddam alsnog broedt op een plan voor een terugtrekking uit Koeweit op het allerlaatste moment. Als hij dat doet zal dat op weinig weerstand stuiten van zijn geintimideerde bevolking. “Koeweit is ook van ons” zegt Mohamed Hamzah, hoofdredacteur van een krant, “maar het Iraakse volk zal Saddam Hussein in alles steunen.”

Ook in de oorlog. Hamzah Shakhir werd in de rug geschoten tijdens de laatste dagen van de Iraans-Iraakse oorlog en werd na ontslag uit het ziekenhuis portretschilder. Hij vergaat nog steeds van de pijn bij het opstaan. Met zijn 25 jaar is hij een van de weinige jongemannen in Bagdad die geen uniform draagt. Hij vreest voor het lot van zijn beide broers aan het front in Koeweit. Gevraagd of hij denkt dat Irak een oorlog tegen de Amerikanen kan winnen, wijst hij op een schilderij van Saddam dat net af is en zegt: “Als Saddam zegt dat we zullen winnen, moeten wij geloven dat we winnen.”

De Irakezen zitten door een verbod op reizen naar het buitenland als ratten in de val en kunnen slechts hopen op het beste. Onder hen zijn ten minste honderd Amerikanen, meestal met een dubbele nationaliteit of mensen die zijn getrouwd met een Iraakse ingezetene.

Patrick Trigg is een van de Westerlingen die wanhopig heeft geprobeerd het land uit te komen. Terwijl een lange rij mensen stond te wachten voor wat werd aangenomen het laatste vliegtuig uit Bagdad, keek de hoekige Welshman angstig toe hoe een Iraakse functionaris naar zijn papieren keek. Een Iraakse rechter had Trigg net vrijgelaten uit de gevangenis, waar hij vastzat op de beschuldiging in september te hebben gepoogd ilegaal het land te verlaten. Hij bracht 120 dagen in eenzame opsluiting door en kreeg te horen dat hij ter dood zou worden veroordeeld. Hij schrijft zijn vrijlating toe aan de beschermheilige van de hopeloze gevallen.

“Ik wist niet eens dat de andere gijzelaars al vrij waren of dat Margaret Thatcher geen premier meer is”, aldus Trigg, een 54-jarige werker in de olieindustrie. Ondanks de ontberingen koestert hij nog steeds sympathie voor individuele Irakezen. Op een zeker moment werd hij geblinddoekt en weggeleid voor wat hij dacht dat een nieuwe ondervraging zou zijn. Maar in plaats daarvan overhandigde een bewaker hem een kerstcake met een kaars in het midden, gebakken door de vrouw van de Irakees. “We zijn er samen bij gaan zitten en hebben gezongen over de geboorte van Jezus”, zegt hij.

Vorige week, toen er eindelijk een Iraakse priester op bezoek mocht komen, beloofde deze de mis op te zullen dragen aan Trigg. Toen de man uit Wales halverwege de dienst kwam binnenlopen, keek de priester op en zei: “Ons gebed is verhoord.”

(The Wall Street Journal)