Componist Schnittke schokt en intrigeert

Concerten: Nieuw Sinfonietta Amsterdam o.l.v. Lev Markiz, met Roland Pontinen (piano). Werken van Sjostakovitsj, Schnittke en Skrjabin. Gehoord: 12-1, Concertgebouw Amsterdam. Mark Lubotsky (viool) en Boris Berman (piano). Werken van Schnittke. Gehoord: 14-1 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.

“Bij Webern kan ik geen aansluiting vinden”, aldus de Russische avantgardist Alfred Schnittke, “want als hij een wals componeert blijft er slechts een schaduw van over. Mahler daarentegen koesterde geen angst voor het triviale. Met hem voel ik me verwant.” Schnittke's polystilistische schrijftrant kan overrompelen en zelfs schokken: moeiteloos schakelt de componist over van mierzoete barok naar een obsederende tango, ingeklemd tussen twintigste-eeuwse stijlmiddelen als prepared piano en kwarttonen-clusters.

Minder spectaculair, maar misschien nog intrigerender zijn de “onderwater” -elementen (de term is van Schnittke) zoals symboliek, muzikale monogrammen en allusies. Die zijn te vinden in het Concert voor piano en strijkorkest uit 1979, dat zaterdag in de Vara Matinee zijn Nederlandse premiere beleefde. Het verwijst naar het iets eerder ontstane Pianokwintet dat Schnittke schreef na het overlijden van zijn moeder. Ook het concert is doortrokken van een peinzende en eigenlijk meer gelaten dan werkelijk schrijnende uitdrukking, en verwijst in de vorm onder meer door een melancholieke wals-episode naar het kwintet.

Roland Pontinen musiceerde stijlvol en ingetogen, maar nog meer bewondering had ik voor de alerte begeleiding door het Nieuw Sinfonietta Amsterdam. Wat Lev Markiz slechts na enkele jaren met deze jonge strijkers wist te bereiken grenst aan het ongelooflijke: een flitsend lenig musiceren, logisch van opbouw, met fluweelzachte pianissimi en spatgelijke pizzicati. Nieuw Sinfonietta Amsterdam dankte het opgetogen publiek met miniaturen van Prokovjev en Pontinen speelde als toegift Skrjabins Negende pianosonate opus 68, bijgenaamd de “Zwarte mis”. Een dankbaar aanvaarde service, waar hetzelfde werk nog eens werd uitgevoerd in de bewerking van Peter-Jan Wagemans: met name in de “zwarte” tonen van de hoorns raakten typische onderwater-elementen opeens aan de oppervlakte.

Ook al door en door vertrouwd met Schnittke's barokke taal toonde zich Mark Lubotsky maandagavond in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg. Geen wonder: Schnittke schreef zijn eerste twee sonates speciaal voor deze violist. Qua vorm is de tweede uit 1968 de interessantste. Nieuw was op dit concert de Sonate voor pianosolo uit 1987, energiek en gedreven maar naar mijn smaak soms wel wat bars voorgedragen door Boris Berman. Merkwaardig zijn de tonale residuen, en door ze heel laag of heel hoog in te zetten en liefst nog in een dynamiek van uitersten klinken zij toch vervreemdend avantgardistisch, bijvoorbeeld g klein naast C groot, heel laag en aaiend zacht.

Het zijn verwijzingen naar Russisch-orthodoxe kerkmuziek die mij overigens meer overtuigden in Schnittke's orkestmuziek. De piano is niet zijn medium, voor een expressiviteit van lange lijnen zijn strijkers - en meer nog het symfonieorkest - nu eenmaal beter toegerust.

    • Ernst Vermeulen