Weinig tegenspraak en passie tijdens de VVD-partijraad; Politiek verliest -aanzien kiezer door 'vliegen afvangen'

APELDOORN, 14 jan. - Leeft het politieke debat in de VVD? Na de partijraad van zaterdag over het nieuwe programma van uitgangspunten kan daar oprecht aan worden getwijfeld.

In een druilerig conferentieoord te Apeldoorn namen ongeveer honderd kaderleden van de VVD het 32 pagina's tellende rapport Ongebroken Lijnen door, samengesteld door een partijcommissie onder leiding van het ere-lid mr. H. R. Nord. Met uitzondering van een korte discussie over de “te softe” onderwijsparagraaf bood de Caravan Occasion Show in de belendende hal een dramatischer aanblik.

De kaderleden stelden regelmatig een vraag aan de commissie, poneerden nu en dan een stelling en bleken meestal na het antwoord van de commissie geen behoefte aan tegenspraak te hebben. Ook onderling ontstond er op geen enkel moment openbare tegenspraak, hoewel over bijvoorbeeld milieuvervuiling, immigratie en dienstplicht sterk conflicterende opvattingen bleken te bestaan.

Is de VVD derhalve een politiek totaal eensgezinde partij? Of heeft men meer belangstelling voor wat de partij bindt dan voor wat de partij inhoudelijk kan verdelen? Daar was bijvoorbeeld het kaderlid Van Dijk die bedankte voor de spreker die het partijbestuur naar zijn Kamercentrale had gestuurd om het rapport te bespreken. Deze bleek geen politicus te zijn, maar een gewoon lid. “Dat was een verademing. Politici beschikken altijd over zoveel gedetailleerde informatie dat het zo gauw eenrichtingsverkeer wordt”.

Opvallend in het VVD-rapport is de wens om de politiek weer een leidende rol te laten spelen bij de inrichting van de samenleving. Volgens het commissielid mr. A. Steinz moet niet alleen het primaat van de politiek worden hersteld, maar is het “primair de taak van de politicus om het maatschappelijk draagvlak voor de zeer ingrijpende beslissingen van de jaren negentig op te rekken”. Dat is volgens hem nodig omdat er in de jaren tachtig verzuimd is een aantal lange-termijn-beslissingen te nemen. Hij toonde zich ingenomen met een gelijksoortig pleidooi dat PvdA-fractievoorzitter Woltgens vorig najaar in Tilburg hield. De politiek heeft aanzien bij de kiezer verloren doordat zij zich volgens Steinz vooral met “vliegen afvangen” lijkt bezig te houden. Ook het commissielid A. van der Stoel wees op de kloof tussen kiezers en gekozenen. “Als nu een andere grote partij klop krijgt, kan dat straks ook de VVD zijn.”

Bij het onderwerp milieu bleek dat binnen de VVD een scheidslijn loopt tussen voorstanders van economische groei als middel om vervuiling te bestrijden en degenen die daaraan twijfelen. Bij het partijkader had men kennis genomen van de opvattingen van de milieu-econoom dr. R. Hueting in een interview met NRC Handelsblad. Deze vindt dat verdere groei in ieder geval tot meer vervuiling leidt. Hij wil onder meer dat de milieukosten van economische groei beter worden verdisconteerd in de prijs van het produkt. In het VVD-rapport staat echter ronduit: “Armoede is de vijand van milieuzorg”. Ook wordt er gesproken over het “vereiste van een gezonde economie” voor goed milieubeheer.

Wat willen we in de VVD nu, doorgroeien om de (meegegroeide) vervuiling beter te bestrijden of versoberen en de (gestabiliseerde) vervuiling terugbrengen, zo luidde het dilemma. In de commissie bleek het hele scala aan opvattingen voorhanden. Van het lid Steinz die opmerkte dat economische groei als voorwaarde voor milieumaatregelen “niet in het rapport staat”. Hij kon zich heel goed een toekomst voorstellen waarin tijdens de winter geen energie-intensieve kassla voor handen was. Tot voorzitter Nord die de vervuiling in Oost-Europa als argument a contrario hanteerde voor de stelling dat groeiende welvaart toch kennelijk beter is voor het milieu dan armoede. Ook zei hij te geloven “in het scheppend vermogen van de mens” ; het economische en wetenschappelijke vernuft dat de vervuiling heeft gebracht kan het ook bestrijden.

De zaal reageerde evenmin op het geschil over immigratie. Het kaderlid Schuddeboom vond dat er “paal en perk” moest worden gesteld aan de komst van buitenlanders om de eenvoudige reden dat “Nederland vol is”. Ook gold “dat wij die mensen niet meer naar behoren kunnen opvangen”, zodat het om “menslievende redenen” beter was om immigranten te weigeren. Bij de paragraaf over ontwikkelingssamenwerking bepleitte dezelfde spreker dat het groeiende kindertal in de arme landen een halt zou moeten worden toegeroepen. Hij werd er door het commissielid Van Aardenne op gewezen dat immigratie een Europees probleem is “en we Nederland natuurlijk niet kunnen afpalen”. De principiele vraag of Nederland vol is, noch de al of niet gewenste tolerantie jegens immigranten werd besproken.

Alleen bij de onderwijsparagraaf kwam er enige passie in de zaal los. De commissie zou met de formule dat “de toegankelijkheid van allen tot het onderwijs moet zijn gewaarborgd, maar gebonden aan geschiktheid daarvoor” te onduidelijk zijn geweest. Er moeten weer toelatingsexamens of- eisen komen, zo was de opvatting van het kader.

Over het politieke klapstuk van het rapport, het slothoofdstuk waarin het CDA voor 'regentenklasse' wordt uitgemaakt, bleek alleen maar lof te zijn. Dat het “in beginsel een ongezonde toestand is”, wanneer de christendemocraten “altijd regeren” was het kader uit het hart gegrepen. Met de formule de komende jaren in een volwassen driehoeksrelatie tot “wisselende coalities” te komen was iedereen het eens. “We slaan twintig jaar politieke geschiedenis achter onze rug dicht”, zo werd opgelucht in de zaal verklaard.