Pierre Audi en de louterende kunst van het weglaten

Voorstelling: Die gluckliche Hand van Arnold Schonberg en Neither van Morton Feldman, door de Nederlandse Opera en het Residentie Orkest o.l.v. Oliver Knussen (Richard Bernas). Met: Henk Smit, Eleanor Bron, Paul Freeman en Reri Grist (Lisa Saffer); decor: Jannis Kounellis; kostuums: Jorge Jara; regie: Pierre Audi. Gezien: 12-1 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen (met wisselende vocalisten en dirigent): 12, 15, 17, 20, 22, 24, 26, 30-1; 3-2 Danstheater Den Haag.

Na zijn opzienbarende enscenering van Il Ritorno d'Ulisse in Patria brengt Pierre Audi, de artistiek directeur van de Nederlandse Opera, twee maanden later een minstens zo opmerkelijke dubbelvoorstelling: Die gluckliche Hand (1912) van Arnold Schonberg en Neither (1977) van Morton Feldman. Al liggen er eeuwen tussen het werk van Monteverdi en dat van twee zeer verschillende twintigste-eeuwse componisten, deze voorstellingen tonen vooral een constante. Het is de strenge compromisloze visie van Pierre Audi op het verschijnsel opera, dat voortaan in Amsterdam maar beter 'muziektheater' genoemd kan worden, naar het gebouw waar Audi zijn opvattingen in praktijk brengt.

Wat Audi doet is het brengen van indringend muzikaal beeldend theater met een concentratie die maximaal is. Een Audi-voorstelling is zoiets als wat er nog aan zichtbaars en hoorbaars overblijft na de omgekeerde Big Bang van de opera: de reusachtige implosie van alle oude werelden van opzichtig vermaak, op elkaar ineengestort door de zware overmaat aan loze inbeeldingen, opgezwollen muziek en nietszeggende uitdrukkingsvormen van allerlei soort.

Geruisloos omspoeld door een zinderende stilte blijft er bij Audi dan alleen het wezenlijke over, de keiharde kern die is blootgelegd middels de louterende kunst van het weglaten van al wat volgens hem overbodig is. Het is fundamentalistisch theater, waaruit zelfs - op een glimp na - elke zweem van kleur is verbannen.

Nog meer dan bij de Ritorno d'Ulisse wordt dat effect bereikt door het sobere toneelbeeld. Het is hier ontworpen door Jannis Kounellis, verantwoordelijk voor het 'scenisch concept' of 'het beeld' - het woord 'decor' is hier niet meer op zijn plaats, legt Rudi Fuchs uit in het programmaboek: dat hoort bij het nu gewantrouwde traditionele theater.

Door het toneelbeeld van Kounellis lijkt het podium van het Muziektheater wel een dependance van zijn expositie die tot en met 17 februari is te zien in het Amsterdamse Stedelijk Museum: enorme zware dik-plaatstalen wanden, een twintig meter breed hekwerk voorzien van tal van extra gewichten, keien, kristallen en stenen, stroken lood, jute zakken gevuld met steenkool, sissend brandende gasvlammen en petroleumlampen.

Al wordt een deel van dat vele tonnen wegende materiaal zelfs de toneeltoren ingehesen, het is allemaal 'oer', 'echt', 'puur', 'elementair', 'aards', 'basic'. En zoals Kounellis in het Stedelijk tussen al die dode materie een levende papagaai toont, zo bewegen hier mensen temidden van al die ongenaakbaarheid. Het zijn er overigens slechts enkele: in Die gluckliche Hand treden een zanger en twee figuranten op, terwijl twaalf koorleden tussen ijzeren platen versmelten tot een zingende achterwand, in Neither is er slechts een zangeres.

Die gluckliche Hand duurt achttien minuten, Neither, dat na de wereldpremiere nu voor het eerst opnieuw wordt uitgevoerd, 48 minuten. Al zit het Residentie Orkest op volle sterkte in de bak, deze dubbele voorstelling is een zeldzaam voorbeeld van spaarzaamheid en beknoptheid. Deze twee uitzonderlijke en zeer verschillende stukken, van componisten met een grote belangstelling voor beeldende kunst, hebben in de enscenering van Audi veel gemeenschappelijks, voorzover ze niet complementair zijn. Beide stukken gaan over tevergeefse zoektochten naar geluk en liefde, beleefd tijdens een soort post-freudiaanse auto-psychoanalyse.

De personages zijn anoniem, bijna onwerkelijke schimmen. Die gluckliche Hand, waarvan de korte tekst is geschreven door Schonberg na een mislukte liefde, lijkt een klassieke driehoeksverhouding. Er is 'een man' (Henk Smit) die verliefd is op 'een vrouw', die het houdt met 'een heer'. Dat stel is op te vatten als inbeelding van 'een man' en het koor, dat hem toezingt niet te geloven in de droom van aards geluk, als zijn andere 'ik'. Is het zijn betere 'ik' of juist zijn slechtere? We zullen het niet weten.

In Neither zingt een zangeres een nauwelijks te duiden tekst van Samuel Beckett, over het 'ondoordringbare zelf' en het 'ondoordringbare on-zelf'. Ze heeft geen naam, geen rolaanduiding en haar identiteit ontleent ze ook al niet aan die alles ontkennende tekst van Beckett. Voor hem waren - volgens zijn biograaf Richard Coe - woorden het voornaamste bestanddeel van de 'kunst der mislukking': “Zij vormen die ondoordringbare barriere van taal, die ons voor altijd belet te weten wie wij zijn, wat wij zijn.”

De enscenering van Pierre Audi noch de muziek van Morton Feldman verduidelijken ook maar iets aan Neither en voldoen daarom ten volle aan de geest van Beckett. Feldman creeert stilte die wordt geaccentueerd met een rustige welluidende muziek van onopvallende complexiteit, terwijl Reri Grist doelloos en verdwaasd doolt door de fuik van het leven - unspeakable home - monotoon en expressieloos haar tekst zingend, telkens onderbroken door flarden van toonladders.

Geheel anders dan bij Neither, waarvoor geen scenische aanwijzingen bestaan, laat de uitvoerige en exacte beschrijving van wat Schonberg wil tonen in Die gluckliche Hand zich lezen als een koel afgemeten thriller. Daar en niet zozeer in de gezongen tekst ligt de kern van zijn voorstelling: zoals in de 'lichtstorm' van wisselende kleuren, die hij ook verklankt.

Audi, die de aanwijzingen theatraal grotendeels achterhaalde moderniteit van toen vindt, heeft goeddeels zijn eigen 'tijdloze' voorstelling gemaakt door een deel van de symboliek, zoals de beker die herinnert aan Tristan und Isolde, weg te laten. Een ander deel is vervangen, zoals het fabeldier, dat de man als een last op zijn rug torst: nu een stuk vlees, door Kounellis samen met wat wolligheid geklonken tussen twee stalen balken. De gelukkige (linker) hand, waarmee de man ten onrechte de vrouw denkt te voelen, is blauw.

Het spektakel van de lichtstorm is gedegradeerd tot een voortkruipende schicht mijnwerkers, die tezamen met het aambeeld, waaruit de man een flonkerend sierraad tevoorschijn slaat, associaties oproept met Alberich in Das Rheingold. Aan het slot zijn er weer verwijzingen naar de jaren twintig, zodat Die gluckliche Hand gelijktijdig functioneert als een epiloog van Der Ring des Nibelungen en een proloog op Alban Bergs Lulu.

Zowel Henk Smit als Reri Grist leveren zingend en acterend overtuigende prestaties en het Residentie Orkest speelt onder leiding van Oliver Knussen uitstekend. Maar bij Audi's theater is pure lengte een absolute voorwaarde: Die gluckliche Hand is voorbij zonder veel indruk achter te laten; naar Neither kan men kijken en luisteren zonder zich te vervelen. Veel meer levert deze door het publiek enthousiast ontvangen voorstelling - hoe fascinerend ook in deelaspecten - niet op. Wel de vraag: hoe herschept Pierre Audi de opera na dit avontuur in het zwarte gat?

    • Kasper Jansen
    • Onze Hieke Jippes