Pianist Kissin bespeelt ziel met klankkleuren

Concert: Vijf Jonge Russiche Toptalenten, Evgeny Kissin, piano. Programma: Schumann: Abegg-Viariaties opus 1. Synfonische Etudes opus 13. Chopin: Sonate nr. 3 in b opus 58. Liszt: Liebestraum en Rhapsodie Espagnol. Gehoord: 13-1 Grote Zaal Concertegbouw Amsterdam.

Misschien wel het opvallendste element aan het schitterende pianospel van Evgeny Kissin, het negentienjarige pianofenomeen uit Moskou, is de volstrekte afwezigheid van haast. Ook al kiest hij soms voor razendsnelle tempi, toch klinken zijn warm-vloeiende interpretaties zo door en door zangerig, zo ruimtelijk, mild en bezonken, dat de bedwelmde luisteraar ieder besef van tijd verliest.

Kissin presenteerde zichzelf in een programma dat nagenoeg overeenstemde met zijn recital-debuut in Carnegie Hall van afgelopen september. De Amerikaanse critici stelden hem vervolgens op een lijn met pianisten als Horowitz, Rubinstein en Gilels. Terecht, want ook voor Kissin betekent muziek maken in de eerste plaats het overbrengen van emoties, het bespelen van de ziel met een volstrekt persoonlijk en een ongekend rijk scala aan poetische klankkleuren en nuances. Techniek is wel het laatste waarmee het virtuoze spel van Kissin associaties wekt, al geeft iedere noot die hij aanslaat blijk van een verbluffende instrumentale beheersing.

Iedere frasering verraadt zowel een groot inzicht in alle details van de partituur als een glashelder overzicht over het geheel. Zo houterig en verlegen als Kissin overkomt wanneer hij van de pianokruk opstaat, zo volledig ontspannen en natuurlijk worden zijn gebaren zodra hij zich achter de vleugel zet. Hoewel hij gisteravond een Steinway bespeelde, klonk het instrument onder zijn handen als de mooiste Bosendorfer: zingend en sonor, alsof alle hamertjes met fluweel in plaats van vilt bespannen waren.

Kissin opende het recital met de Abegg-Variaties van Schumann, waarin onmiddellijk zijn vrijgevochten benadering van het tempo, zijn fenomenaal gevoel voor spanningsopbouw en zijn gave om vrij ademende en naadloos doorstromende melodielijnen in de muziek aan te brengen, de aandacht trokken. Daarna klonken Schumanns Synfonische Etudes opus 13 als een triomf van het gevoel en de verbeeldingskracht. Alleen al de opening, waarin Kissin het majestueuze thema uiterst melancholiek en in een bijna slepend langzaam tempo presenteerde, was verbluffend origineel.

Van daaruit ontsponnen zich de overige delen, door Kissin aangevuld met alle postume variaties, als een vurig epos dat in een lange ademtocht alle denkbare stemmingswisselingen van de menselijke natuur tot uitdrukking bracht. Maar dan dan wel met de nadruk op al het goede en bewonderenswaardige in de mens, want negatieve emoties als agressie en frustratie krijgen bij Kissin geen kans. Geen wonder dan ook dat de lyriek van Chopin hem paste als een tweede huid: zelden wordt Chopins Derde Sonate zo dromerig en lieflijk, maar toch kernachtig en wars van sentimentaliteit over het voetlicht gebracht. Kissins tegelijkertijd milde en naief-onstuimige intepretatie van de Liebestraum van Liszt klonk al even puur en indrukwekkend, waarna hij met zijn duizelingwekkende vertolking van de Rhapsodie Espagnol een plotseling toch nog verrassend zwoele en sensuele kijk op het Spaanse landschap ten beste gaf.