Oorlog dwingt IEA tot minder zuinigheid

PARIJS, 14 JAN. Op de valreep, vlak voordat het ultimatum van de Verenigde Naties tegen Irak morgen verstrijkt, heeft het Internationaal Energie Agentschap (IEA) vrijdag een noodprogramma voor de energievoorziening van de Westerse wereld gelanceerd dat bij het uitbreken van oorlog in het Midden-Oosten een olietekort moet voorkomen.

Na menige vergadering over de gevolgen van de situatie in de Golfregio voor de olievoorziening besloot het IEA-bestuur eindelijk aan te kondigen wat economische experts al sinds begin augustus vorig jaar, direct na de invasie van Irak in Koeweit hebben gevraagd: een deel van de strategische olievoorraden wordt verkocht. Daardoor wordt het aanbod bij het begin van mogelijke vijandelijkheden ruimer, kan een paniekreactie bij de oliehandel worden ingedamd en hoeft de prijs niet excessief te stijgen.

Het IEA is zuinig op haar strategische voorraden, die op last van de regeringen worden aangehouden (in totaal een miljard vaten olie), want pas binnen twee weken na het begin van een oorlog treedt het noodplan in werking. Dan worden zo'n twee miljoen vaten per dag uit die voorraden verkocht. Bovendien worden nog een half miljoen vaten 'op de markt gebracht' door besparing op het olieverbruik en vermindering van commerciele voorraden. Nederland moet het leeuwedeel van zijn bijdrage daarin leveren door bezuinigingen bij het gemotoriseerde verkeer. Weggebruikers worden opgeroepen minder en minder hard te rijden.

In de financiele wereld had men graag gezien dat de Westerse landen en Japan een deel van de strategische olievoorraad al direct na 2 augustus vorig jaar hadden verkocht omdat de enorme stijging van de olieprijs de inflatie onnodig heeft aangewakkerd. Bij een lagere olieprijs en de aantrekkende produktie in de OPEC-landen (Organisatie van olie exporterende landen) had men geleidelijk de voorraden weer op peil kunnen brengen.

Achteraf blijkt dat de financiele analisten het gelijk aan hun kant hebben, want de voorraden olie in het bezit van oliemaatschappijen, handelaren en OPEC-landen zijn in negen jaar nog niet zo hoog geweest. Ook de floating storage, de tankervloot vol onverkochte olie die in baaien voor de Amerikaanse en Westeuropese kusten drijft, is sterk toegenomen. Handelaren die hun olie voor 15 januari in veiligheid hebben gebracht door de mammoettankers te laden en op weg te sturen, kunnen binnenkort wellicht veel geld verdienen als de aanvoer krapper zou worden en de milde winter als staart een koudegolf krijgt, die het Amerikaanse continent waar de meeste olie wordt verstookt, veelal het meest teistert.

Behalve de vrees voor een tijdelijke vermindering van de aanvoer doordat Irak schade zou toebrengen aan de grote olie-installaties in Saoedi-Arabie, heeft volgens ingewijden bij de beslissing van het IEA-bestuur druk van verschillende regeringen meegespeeld. Enkele maanden geleden al probeerde de Europese Commissie meer greep te krijgen op het beheer van de strategische olievoorraden in het geval van een dreigend tekort. En de Amerikaanse minister van energiezaken, Watkins, adviseerde president Bush vorige week tot verkoop van strategische olie bij het begin van een Golfoorlog.

“Het is vijf voor twaalf, we moeten nu laten zien waar we staan”, zei Quincey Lumsden, directeur oliezaken van het Agentschap vrijdag. Zijn algemeen directeur, dr. Helga Steeg, had zich de afgelopen maanden steeds verzet tegen het inzetten van de strategische voorraad. Zij wilde aanvankelijk blijven vasthouden aan de statutaire bevoegdheden van het agentschap om pas bij een vermindering van de olietoevoer met zeven procent een noodscenario uit de kast te halen. Vrijdag onderstreepte Steeg dat het bestuur tien dagen na de aanvang van een oorlog in spoedzitting bijeenkomt om te bezien of het huidige noodplan nog verscherpt moet worden. Voor Nederland kan zo'n verscherping een overschakeling betekenen van vrijwillige naar verplichte bezuinigingsmaatregelen: de maximumsnelheid omlaag, minder toevoer van brandstoffen naar de verkooppunten, benzinedistributie en eventueel autoloze zondagen.

Zeventien jaar geleden, in oktober 1973, moest Nederland ook voor een korte periode in die maatregelen zijn energieheil zoeken. Ruud Lubbers, die net zijn politieke carriere was begonnen als minister van economische zaken, adviseerde iedereen ook de gordijnen dicht te trekken. Koning Feisal van Saoedi-Arabie hanteerde zijn olie als politiek wapen en kondigde een embargo af tegen de Verenigde Staten en Nederland, drie dagen na het begin van de oorlog die Egypte en Syrie tegen Israel waren begonnen. Voor Amerika en Nederland gingen de oliekrainen dicht omdat ze Israel het meest hadden gesteund, in het bijzonder na de bezetting van de Sinai-woestijn in 1967. Andere olieconsumerende landen kregen tien procent minder olie.

Een half jaar daarna, in 1974, werd het IEA opgericht na een initiatief van de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Kissinger, officieel om de energiepolitiek van het Westen te coordineren. In werkelijkheid wilde Kissinger een vuist maken tegen de Arabieren en OPEC, dat zich toen nog met succes als een onvervalst kartel had gedragen waardoor de olieprijs in korte tijd verviervoudigd was. Frankrijk zag het agentschap toen als een gevaar voor zijn goede relaties met een aantal Golfstaten en deed niet mee.

Vandaag zijn de rollen omgekeerd. Saoedi-Arabie wordt door een internationale strijdmacht, met Amerika voorop, beschermd tegen de Irakese agressie en heeft zijn olieproduktie bijna verdubbeld om het Westen inclusief te toenmalige vijanden Amerika en Nederland aan voldoende brandstoffen te helpen. Frankrijk, en ook Finland en IJsland die nog geen lid van het IAE waren, doen nu eendrachtig mee met het noodplan van het agentschap en willen ook lid worden.