De aristocraat van de Amerikaanse kranten

The New York Times, opgericht in 1851 is nog altijd een van de beste Amerikaanse dagbladen. Al geruime tijd ondervindt het de hevige concurrentie van de televisie en de laatste jaren ook steeds meer van de Los Angeles Times en de Washington Post. De NYT heeft een sterk gouvernementeel karakter; daardoor dreigt soms het gevaar dat belangrijke nieuwsonderwerpen worden gemist.

Het instituut New York Times heeft zo veel status van zichzelf dat imagopoetsers of kantoorinrichters er niet aan te kunnen verdienen. De 1, 2 miljoen dagelijkse en 1, 8 miljoen zondagse kranten doen het p.r.-werk bij voordeuren, kiosken en winkels. Toch huist de aristocraat onder de Amerikaanse kranten in een wat vervallen kasteel. Zijn bescheiden lobby met geel, glanzende hardsteen en het zwarte borstbeeld van Times-patriarch Adolph Ochs toont haar leeftijd.

Het meubilair in de nieuwszaal is in geen jaren vervangen: donkerbruine lessenaars met beige uitgezeten bureaustoelen en een kleed met donkere figuren op de grond. Buiten wordt de prachtig schoon gehouden met neo-gothiek versierde voorgevel geflankeerd door pornowinkels en walkmanverkopers en verderop Times Square.

Binnen is het niet anders dan in veel andere oude New Yorkse kantoren en huizen die rond de eeuwwisseling zijn gebouwd en nadien nauwelijks zijn vernieuwd. Uitdijende deelredacties hebben de oorspronkelijke nieuwszaal overstroomd en zijn verspreid over verschillende verdiepingen en ruimten in het gebouw. De verandering van de arbeidsintensieve loodzetmethode in fotozet heeft respijt gegeven aan de dreigende overbevolking.

De sleetsheid verleent de redactiezalen historie: iedereen beseft dat hem in deze hallen en gangen sinds 1913 velen zijn voorgegaan in de traditie van to give the news impartially, without fear or favor, zoals de globetrotter Harrison Salisbury, nationaal moralist James Reston, Vietnam-verslaggever David Halberstam, de verslaggever van de Spaanse burgeroorlog, Herbert Matthews. Ook de sterverslaggever van het moment is niet onmisbaar.

Het instituut en de Timespersen blijven draaien. De ongeschreven regels zijn duidelijk voor Timesmen. Gesprekken worden gevoerd op gedempte toon, zo nu en dan onderbroken door een oproep van een verslaggever door de intercom tot nadere verklaring van zijn verhaal. De oproep geschiedt door een zilveren microfoon, vroeger vergezeld van een telescoop waardoor verslaggevers in de nieuwszaal konden worden bespied.

De centrale eindredactie, het zogenoemde stierenhok, bepaalt hoe verhalen in de krant komen en bewaakt de traditie. Billijkheid gaat boven briljantheid, zorgvuldigheid boven sensatie. De prioriteiten van de leden van het stierenhok zijn niet altijd die van de verslaggevers. Sommigen hebben zelfs ontslag genomen wegens de macht van dat hok. De bekende politieke journalist David Broder stapte over naar de Washington Post omdat New York volgens hem belangrijke verhalen begroef en onbelangrijke verhalen op de voorpagina plaatste. Het stierenhok heeft het langslepende conflict gewonnen met de politieke redactie in Washington dat nu niet langer een apart koninkrijk is.

Scheldwoorden

In het interne blaadje Winners en sinners waar ook buitenstaanders zich op kunnen abonneren, verfijnen eindredacteuren de journalistieke regels, de beste en slechtste koppen en leads. Moest een verhaal over antisemitisch gescheld door New Yorkse politiemannen het scheldwoord zelf wel bevatten? Of was het noemen van het scheldwoord onnodig kwetsend. Ja, antwoorden de eindredacteuren, de lezer had moeten weten wat het scheldwoord was. In de lead van het verhaal werd antisemitisme genoemd en “wij willen de lead zoveel mogelijk ondersteunen”. Vroeger zou dat scheldwoord niet genoemd zijn maar de tijden zijn veranderd. “Onze maatstaven - om volledig en met smaak te informeren - zijn constant, maar het denken over hoe we de maatstaven handhaven, ontwikkelt zich”, schrijft de eindredactie. Naar aanleiding van vragen van lezers was er zelfs een 'notitie' in de krant gekomen. “In alle eerlijkheid zou het artikel de bewoordingen die tot de beschuldiging leidden, hebben moeten noemen. Juffrouw Regan zei dat de agenten haar spottend vroegen of haar voornaam jew bitch was (haar voornaam was Judith)”.

Fairness of billijkheid komt neer op hoor-en-wederhoor, een belangrijk principe in de Amerikaanse journalistiek. Soms kan die billijkheid wel eens overdreven legitimiteit aan een achterhaald standpunt verlenen, ook kan het de journalist ervan weerhouden om na het horen van beide partijen dieper te graven, vaak geeft het juist een veelzijdig beeld van het behandelde onderwerp. Het zorgvuldigheidbeginsel beperkt zich niet alleen tot de voorbereiding en het schrijven van een verhaal maar strekt zich ook uit tot de erkenning van eigen feilbaarheid. Elke dag rectificeert de krant onjuistheden op eigen initiatief in kleine notities. Dergelijke transparantie kweekt veel goede wil bij de lezer.

Het onderscheid tussen feiten en meningen is zelfs in de organisatie van de krant verankerd. De hoofdredacteur heeft niets te zeggen over de opiniepagina's. Die vallen formeel onder de eigenaar die als ervaren uitgever overigens nauwelijks gebruik maakt van zijn macht. Een aparte chef bestiert samen met andere redacteuren de hoofdartikelen, columns, ingezonden stukken en brieven. Drie keer per week bepalen ze de richting van de hoofdartikelen. Doorgaans mag niemand van de nieuwsafdeling zich met de opiniepagina's bemoeien.

Familiebedrijf

Het succes van de almaar groeiende New York Times is te danken aan de centrale rol van de krant in de familie-onderneming van het geslacht Ochs, later Ochs Sulzberger. Deze van oorsprong Duitse familie paarde zakelijk talent aan een traditie van vorming en publieke verantwoordelijkheid. De New York Times is geen verre kleindochter van een groot concern maar het middelpunt van de New York Times Company. Ook in moeilijke tijden bleef de familie investeren in de New York Times en ze liet zich niet afleiden door andere zakelijke activiteiten en hoefde zich niet te bekommeren om winstgaranties aan aandeelhouders. Uiteindelijk heeft deze mentaliteit een stevige basis gelegd voor een niet te verwoesten marktpositie. De New York Times is een van de weinige familiebedrijven die niet op de doodlopende weg van de Buddenbrooks zijn beland. Adolph Ochs die de indertijd noodlijdende krant in 1896 voor weinig geld overnam, legde de basis voor de traditie. “Zijn opvolgers moesten geld verdienen maar er niet door worden betoverd, ze moesten trends bijhouden maar er niet door worden meegesleept, ze moesten getalenteerde mensen aannemen maar geen mensen die zo getalenteerd of egocentrisch waren, dat ze te speciaal zouden worden als schrijvers of te onmisbaar als redacteuren”, schreef Gay Talese in zijn boek over de New York Times, 'The kingdom and the Power'. Talese (auteur van onder andere Thy neighbor's wife, Honor thy father, Fame and obscurity) begon ooit zelf als journalist bij de New York Times. Zijn boek over de Times is een prachtig epos over de figuren die de krant groot maakten, bestierden en vulden.

Adolph Ochs was de zoon van Duitse immigranten. Zijn vader, een ontwikkeld man uit een oud Zuidduits joods geslacht, miste zakelijk talent zodat hij veel uiteenlopende banen en baantjes had. De in 1858 geboren Adolph wilde een vak goed doen en zijn grote voorbeeld was Horace Greeley, een boerenjongen die het bracht tot eigenaar van de New York Tribune. Ochs begon met vloeren vegen bij de Knoxville Chronicle, werd bevorderd tot loodzetter, verhuisde naar de Louisville Courier Journal, waar hij zowel zetter als verslaggever was en vestigde zich uiteindelijk in het pioniersstadje Chattanooga, waar hij zich in het uitgeversvak bekwaamde. Met zijn spaargeld kocht hij een belang in de noodlijdende Chattanooga Dispatch die ondanks zijn inspanningen failliet ging.

Een ervaring rijker kocht hij op 21-jarige leeftijd de op sterven na dood zijnde Chattanooga Times voor 5750 dollar met een aanbetaling van 250 dollar. Hier begon hij in het klein met de formule die later de New York Times groot maakte. De Chattanooga Times werd geen opinieblad of spreekbuis voor zakenlieden of onderdrukten maar bracht ongekleurd nieuws en steunde de economische ontwikkeling van de pioniersgemeenschap. Binnen tien jaar was de krant een succes en Ochs kocht er een boerenweekblad bij. Hij huisvestte zijn hele familie, zussen, broers en ouders in zijn huis en stelde ze te werk in zijn bedrijf, als verslaggevers of boekhouders. Zijn succes trok ook de aandacht van de Democratisch president Grover Cleveland die tijdens een officieel bezoek met hem in een koets door Chattanooga reed.

Een mislukte landspeculatie in Tennessee dwong hem tot verdere expansie om niet ten onder te gaan. Dus kocht hij in 1896 op 38-jarige leeftijd na enig onderzoek en met een aanbeveling van president Cleveland een belang in de New York Times voor 75.000 dollar met een optie voor een meerderheidsbelang. Als succesvol uitgever kon hij gemakkelijk geld lenen. De in 1851 opgerichte New York Times was na aanvankelijk succes, gekelderd tot een oplage van 9000. Uitgever- eigenaar George Jones had veel trouwe Republikeinse adverteerders verloren door zijn eerste aanbeveling per hoofdartikel van een Democraat voor het Witte Huis. De krant werd ook slecht geleid maar had al de kenmerkende, koele, afstandelijke toon. De overgave van de Zuidelijke generaal Lee en het einde van de Amerikaanse burgeroorlog werden in een bescheiden, eenregelige kop aangekondigd, evenals de moord op president Lincoln.

Ochs kon journalisten van de Times behouden in een beter opgezette nieuwsafdeling. Hij breidde de financiele redactie uit. Bovendien moest de New York Times zich ontwikkelen tot een paper of record, letterlijke teksten van toespraken en van documenten geven. Hij startte binnen drie weken na zijn aankoop een goed geillustreerde zondagbijlage in tijdschriftvorm. Op aandrang van zijn zeer belezen vrouw Iphigene die boekbesprekingen schreef voor de Chattanooga Times, voegde hij er ook een boekenbijlage aan toe. Hij introduceerde een duidelijker lettertype.

Middenklasse

De krant sloeg aan bij de groeiende middenklasse van New York. De Spaans-Amerikaanse oorlog in 1898 vormde de eerste vuurproef. Ochs had niet het geld voor de scheepsladingen journalisten die zijn twee concurrenten, Pulitzers World en Hearsts Journal konden uitzenden naar Cuba, maar moest zich beperken tot nieuws van de persbureaus en de brieven van twee correspondenten. Dus besloot hij de prijs van de krant te verlagen van drie dollarcent naar een, zodat de concurrenten hun prijs niet meer konden verhogen en in moeilijkheden kwamen met de financiering van de berichtgeving uit de oorlog. De oplage van de Times steeg in een jaar van 25.726 naar 76.260 en de advertenties hielden gelijke tred. Wetenschap en techniek werden op de voet gevolgd. De ontwikkelingen van het vliegtuig, de ramp van de Titanic, de ontdekkingsreizen naar de Noordpool werden grondig verslagen.

De Times bracht als eerste de vindingen van Marconi en maakte er meteen ook gebruik van bij de verslaggeving over de Japans-Russische oorlog in 1904, door de Times exclusief gebracht voor heel Amerika. Tegen 1913 had de Times een leidende positie veroverd in New York en verhuisde de krant naar het huidige gebouw aan de 43e Straat. In 1915 had de Times een oplage van 300.000.

Na de dood van Ochs in 1935 nam diens schoonzoon, Arthur Hays Sulzberger, de leiding van de krant over. Op dit moment is zijn zoon, Arthur Ochs Sulzberger, de uitgever en heel spoedig zal diens zoon, Arthur Ochs Sulzberger jr., de taak overnemen. Ochs Sulzberger senior is inmiddels 65 en hij acht zijn directeurschap van het Metropolitan Museum niet verenigbaar met de leiding van de Times. Al deze mannen zijn lange tijd voor hun aantreden in het bedrijf zelf voorbereid voor de leiding van wat Iphigene noemde “de bouwers van de kathedraal, niet de steenhakkers”.

Presidenten hebben zich opgewonden over hoofdartikelen in de Times en zich proberen te bemoeien met de verslaggeving uit Washington. Toch is, ondanks de hoogste oplage aller tijden en gelijk blijvende kwaliteit bij een staf van duizend journalisten, de macht van de New York Times niet zo groot meer als in de dagen van Roosevelt of zelfs van Kennedy. De krant ondervindt de hevige concurrentie van de televisie. President Johnson zag dat al in toen de toenmalige populaire nieuwslezer van CBS zich tegen de Vietnamoorlog verklaarde. “Ik heb Cronkite verloren en daarmee de natie”, zei hij aan zijn woordvoerder. Weliswaar had ook de correspondent van de Times in Vietnam, David Halberstam, met zijn onpartijdige verslaggeving bijgedragen aan de negatieve opinievorming over de Vietnamoorlog.

Mannenkrant

Onder de kranten staat de New York Times niet meer op een eenzame eerste plaats. De verspreiding concentreert zich op New York en omgeving, een gebied dat in nationaal belang afneemt. Nog steeds is de stad New York financieel en cultureel toonaangevend voor Amerika maar politiek moet de gelijknamige staat steeds meer gezag afstaan aan de grootste staat Californie die op cultureel gebied steeds sterker wordt. Californie staat ook voor een gediversifieerd Amerika, een culturele toren van Babel. Volgens de uitslag van de laatste volkstelling krijgt Californie er zeven zetels bij in het Huis van Afgevaardigden en verliest New York er drie. Ook in Californie bestaat een nieuwsinstituut, bijna zo goed als de New York Times: de Los Angeles Times.

Met de - via satelliet - over acht stedelijke centra buiten de regio New York verspreide oplage van 250.000 is de New York Times weliswaar bijna een nationale krant, maar toch in mindere mate dan de Wall Street Journal of USA Today. New York doet aan als een oude Middeneuropese stad, is veel sterker op Europa gericht dan bijvoorbeeld Californie. De huidige hoofdredacteur van de New York Times, Max Frankel, is in Duitsland geboren, de voormalige hoofdredacteur, James Reston, komt uit Schotland. Ondanks pogingen om vrouwen en meer vertegenwoordigers van etnische minderheden aan te nemen, is de redactie hoofdzakelijk blank en mannelijk. Een dergelijke samenstelling heeft ook invloed op de keuze van onderwerpen. De Washington Post heeft, alleen al omdat zeventig procent van de inwoners in die stad zwart is, een meer gemengde redactie en kent een grotere diversiteit van stijlen en thema's.

Washington Post

Politici in Washington volgen de plaatselijke Washington Post nauwkeuriger dan de New York Times. Sinds de ontdekking van het Watergate-schandaal door de Post-journalisten Bob Woodward en Leonard Bernstein heeft de Washington Post haar lokale karakter verloren en nationale allure gekregen. De Post brengt meer dan de Times berichten over kleine, plaatselijke kwesties. Toch staat ook het nieuws over de Amerikaanse overheid er meestal eerder in dan in de New York Times die in Washington werkt met een staf van veertig mensen. De Post heeft vrijwel al haar journalisten in de hoofdstad en ook al is de federale overheid niet het onderwerp van de meesten, ze hebben er als bewoners wel contacten.

“Toen ik departementaal verslaggever werd bij het ministerie van buitenlandse zaken, merkte ik dat onze krant in Washington minder invloed had dan ik had verwacht”, zegt David Shipler, hoogleraar journalistiek aan de universiteit van Princeton. Hij was tot 1988 werkzaam bij de New York Times, onder andere als correspondent in Moskou en later in Tel Aviv. “Er waren heel wat mensen bij het ministerie die niet de Times hadden gelezen maar wel de Post”, zegt hij. Ook de meeste Congresleden concentreren zich hoofdzakelijk op de Washington Post. Hun stafleden maken hen dan wel attent op interessante artikelen in de Times.

Shipler roemt de nadruk op betrouwbaarheid van de Times maar vindt ook dat de krant een sterk gouvernementeel karakter heeft. “Het is een paper of record, het meeste nieuws heeft de overheid als bron. De Times heeft geen eigen politieke agenda. Als je naar de verslaggeving over buitenlandse zaken kijkt, dan volgt de New York Times de aandacht van de president. Er wordt nu vrijwel nooit meer over Nicaragua of Midden-Amerika geschreven, vroeger juist heel veel”, zegt hij.

Dat geldt ook voor de binnenlandverslaggeving. Shipler: “Zodra de agenda van de president verschuift, gaat die van de Times mee. Daar schuilt het gevaar in dat belangrijke problemen worden genegeerd. De Post brengt vaker verhalen op eigen initiatief”. De nationale invloed van de Times blijkt uit de vele vooraanstaande schrijvers voor de opiniepagina's. Die verschijnen vaak later in de studio's van de in New York gestationeerde nationale televisienieuwsprogramma's. De krant is een belangrijke nationale nieuwsagenda voor andere media. En dan is er nog de New York Times News Service die aan honderden kranten over de hele wereld enigszins ingekorte krantenverhalen levert. De Times heeft haar internationale invloed ook te danken aan het leiderschap van de Verenigde Staten in de wereld. Als dat zich wijzigt, zal zij het net als de Britse kranten, moeten hebben van de betrouwbaarheid en leesbaarheid alleen. Met haar hoge maatstaven blijft de New York Times een van de voertuigen van de Amerikaanse culturele dominantie in de wereld.