Congresleden geven Bush schoorvoetend vrije hand in de Golf; Oude oorlogswonden weer opengereten tijdens emotioneel debat

WASHINGTON, 14 jan. - De oorlog zit in de botten van de Republikeinse leider senator Robert Dole, die vaardig de machtiging van het Congres aan de president tot het gebruik van militair geweld tegen Irak door de Senaat loodste. Tijdens de Tweede Wereldoorlog versplinterden granaatscherven zijn rechterarm en raakte hij zwaar gewond aan zijn bovenlichaam. Hij heeft sindsdien nooit meer zijn rechterhand kunnen gebruiken, en hij kan zich nauwelijks zelf aankleden.

De nog steeds voelbare oorlogswonden speelden op toen hij zaterdagmorgen sprak voor de Senaat: “Ik heb de president, die er ook in de Tweede Wereldoorlog bij is geweest, duidelijk gemaakt dat we hem in het Congres van de Verenigde Staten een krachtiger hand voor vrede proberen te geven, niet een machtiging om te zien hoe snel we in een gewapend conflict kunnen raken.” Met deze uitspraak maakte hij zijn persoonlijke strijd duidelijk tussen loyaliteit aan de president en zijn slechte ervaringen met oorlog.

Ook Robert Michel, die als de Republikeinse leider in het Huis van Afgevaardigden president Bush steunde, heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn kameraden om zich heen zien vallen. “Laat niemand in deze Kamer of waar dan ook mij toespreken over de verschrikkingen van de oorlog”, zei hij. “Ik heb het op zijn slechtst gezien. Voor zovelen van u was de oorlog die Vietnam-oorlog. Mijn generatie wordt achtervolgd door de geesten van Munchen.”

Het begin van het debat op donderdag was nog rustig: de zalen van het Huis van Afgevaardigden en de Senaat waren nog betrekkelijk leeg toen de wetgevers hun toespraken voorlazen. Maar naarmate het uur van de stemming naderde kwamen steeds meer Congresleden luisteren. De Senaat werkte zelfs vrijwel de hele nacht van vrijdag op zaterdag door in een steeds vollere zaal en met steeds meer emotie.

Vooral Democratische Congresleden hadden de stemming over het gebruik van geweld tegen Irak proberen te vermijden. Het was gemakkelijker de president ten strijde te laten trekken en hem later te bekritiseren als het zou mislukken. Maar toen de president hun om een stemming vroeg, moesten ze wel en daarmee eigenden ze zich een constitutionele bevoegdheid toe die sinds de jaren van president Franklin Delano Roosevelt was uitgehold. Zoals de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, Thomas Foley, na de stemming zei: “Het feit dat het Congres heeft gesproken is belangrijk, niet wat elk individueel Congreslid heeft gedaan.”

Het Congres toonde zich net als de kiezers hopeloos verdeeld. President Bush kreeg afgelopen zaterdag steun voor gebruik van geweld met 250 tegen 183 stemmen in het Huis van Afgevaardigden en 52 tegen 47 stemmen in de Senaat. “Dit is de kleinste stemmingsmarge voor het gebruik van geweld in de geschiedenis van ons land sinds de oorlog van 1812”, stelde de Democratische senator Paul Simon vast.

Wisselvallige opiniepeilingen bieden weinig houvast. Gemiddeld willen twee op de drie Amerikanen gebruik van geweld, bij sommige peilingen valt het veel lager of veel hoger uit. “De opiniepeilingen zeggen dat we de president moeten steunen. De adviezen uit onze telefoontjes en brieven luiden anders”, zei de Republikeinse senator William Cohen.

Het overlopen van vooral conservatieve zuidelijke Democraten naar het kamp van president Bush gaf uiteindelijk de doorslag in de Senaat, ondanks de invloedrijke figuren die zich tegen Bush keerden. In het Huis van Afgevaardigden was er een hechte pro-Bush-coalitie tussen Afgevaardigden van joodse achtergrond of met joodse districten, zoals de voorzitter van de commissie van buitenlandse zaken Dante Fascell en Stephen Solarz, en de Republikeinse minderheid aan de rechterzijde. Ook de vroegere veteraan van Vietnamprotesten en de huidige invloedrijke Democratische voorzitter van de defensiecommissie, Les Aspin, koos de zijde van Bush. Zo werd het voor andere Democratische afgevaardigden gemakkelijker om voor militair geweld te kiezen.

Veel links-liberale joden willen Saddam Hussein tegenhouden omdat ook Israel gevaar loopt. Toch heeft zich in deze kwestie een scheuring voorgedaan tussen Afgevaardigden die zich vroeger altijd eensgezind sterk maakten voor Israel. Zwarte afgevaardigden stemden over het algemeen voor uitstel omdat zij vinden dat zwarten buitenproportioneel vertegenwoordigd zijn in de strijdkrachten.

De pijnlijke keuze tussen een machtiging tot het gebruik van geweld of uitstel daarvan bracht de volksvertegenwoordigers tijdens het debat tot ontboezemingen die zelden zijn gehoord in de vergaderzalen van het Congres. Thomas Foley verliet zijn hooggelegen voorzittersstoel om tegenover zijn collega's te bekennen dat hij spijt had van zijn stem voor de aanwezigheid van Amerikaanse mariniers in Libanon acht jaar geleden. “Ik betreur het vandaag, niet alleen wegens de 300 mariniers die hun leven verloren maar ook omdat ik vol twijfel stemde, onzeker, en niet bereid tot het aanvaarden van alle gevolgen”, zei hij. Daarop zei hij waar het volgens hem bij de machtigingsresolutie om gaat. Niet om “een ander diplomatiek werktuig, een andere pijlenkoker voor economisch of internationaal overwicht” maar om “een feitelijke oorlogsverklaring”. Hij stemde tegen.

Slechts weinigen troostten zich, zoals senator Dole, met de gedachte dat het er om ging oorlog te voorkomen. De eerbiedwaardige Democratische senator Robert Byrd zei dat hij in zijn 39-jarige loopbaan als wetgever niet zo'n belangrijke stem had uitgebracht, waarbij hij de stemmingen over de Civil Rights Act en over het verdrag tot overdracht van het Panamakanaal in herinnering bracht. Zijn conclusie nu: “Een supermacht, tegen deze Derde-wereldmacht, hoeft niet ongeduldig of onstuimig te zijn.”

De Democratische senator Albert Gore betrapte zichzelf erop dat hij eerst wilde stemmen voor uitstel van oorlog “in de hoop dat dit standpunt niet zou winnen”. Stemmen voor de verliezende kant bergt minder politieke risico's in zich dan stemmen voor een resolutie die wordt uitgevoerd. Maar “ik vind dat ik aan degenen die bereid zijn om het uiterste offer te brengen verschuldigd ben om het beste oordeel van mijn hoofd en mijn hart te geven over wat deze natie nu moet doen”, vervolgde hij in zijn indrukwekkende, emotionele toespraak. “Ik moet mijn stem uitbrengen vanuit het gezichtspunt dat het beleid wordt. Zullen sancties Saddam van mening doen veranderen voor zich de volgende kans voor oorlog voordoet? Ik vraag het me af. Als de president vroeger niet had gedacht dat we met Saddam zaken konden doen, dan had dit kunnen worden voorkomen. Nu zijn er heel wat kosten en risico's aan verbonden als het beleid van uitstel van oorlog niet werkt. Ik denk dat het meer kost dan gebruik van geweld.”

Les Aspin vond de Sovjet-inval in Litouwen zelfs reden temeer om direct militair geweld te gebruiken. “Als we op de sancties vertrouwen, kunnen we niets doen aan Litouwen, de Sovjet-Unie, de mensenrechten in China, omdat we de coalitie bij elkaar moeten houden”, zei hij gisteren.

De Democratische voorzitter van de defensiecommissie in de Senaat, Sam Nunn, vond daarentegen dat de kosten van oorlog ook heel hoog kunnen zijn. Niemand kan een snelle afloop van de oorlog garanderen en het Witte Huis heeft nauwelijks nog nagedacht over wat er met Irak moet gebeuren na een overwinning. Toch maakte hij net als veel andere sprekers duidelijk dat alle Democraten zich ondanks hun kritiek achter de president zouden scharen in geval van oorlog.

De verdubbeling van het aantal troepen door de president op 8 november vorig jaar heeft de meeste toorn opgewekt van Nunn. Van toen af aan was de flexibiliteit weg voor de Verenigde Staten. Er moest gekozen worden tussen oorlog of gedeeltelijke terugtrekking. Voor 8 november steunde Nunn de president. Veel Democraten voelden zich afgelopen week gedwongen voor de president te stemmen omdat de tijdslimiet van 15 januari voor terugtrekking van Saddam uit Koeweit zo dichtbij was.

Democratische Congresleden klaagden ook over de eenzijdige conclusies van de CIA. De voorzitter van de Senaatscommissie voor inlichtingenzaken, David Boren, vindt dat de door de CIA gepresenteerde feiten over het embargo tegen Irak (halvering van het nationaal produkt van Irak, afsnijding van 90 procent van de import van dat land, voornamelijk door geldgebrek, binnenkort ook sluiting van de Iraakse militaire industrieen) in strijd zijn met de conclusie van CIA-directeur William Webster dat het embargo niet voldoende werkt. Als er spoedig een gewapend conflict uitbreekt zullen de Democraten hun vertrouwen in het embargo niet meer met feiten kunnen bewijzen.

    • Maarten Huygen