Briefkaart uit Jemen; Eenzaam avontuur

Het is koud in Jemen. Overdag gaat het nog, maar 's nachts daalt de temperatuur in deze Arabische bergrepubliek tot bijna het vriespunt. De stadswachten die in het donker elke passerende auto op smokkelwaar en wapens controleren, zijn gehuld in dikke duffelse jassen en warmen hun handen aan kleine vuren die zo hier en daar op de straathoeken branden.

Voor een Europeaan vormt een bezoek aan dit land, waar sinds het begin van de Golfcrisis praktisch geen toeristen meer komen, een eenzaam avontuur. Maar met het voordeel dat zo'n reiziger, ondanks taalbarrieres, vrij makkelijk contact met Jemenieten krijgt. En zo nu en dan zelfs wordt uitgenodigd mee te doen aan het traditionele ritueel van het gemeenschappelijke q'at kauwen, een genotsmiddel waarvan je niet suf maar zeer wakker wordt. Dat deed ik onder meer met drie officieren van politie uit Aden, de hoofdstad van de vroegere volksrepubliek Jemen, die in Moskou gestudeerd bleken te hebben.

Anders dan ik dacht, vormt dit land, althans het voormalige Noord-Jemen, naar zijn uiterlijk helemaal geen deel van de reusachtige zandbak, het 'empty quarter' van het Arabische schiereiland. Het is buitengewoon bergachtig, een hooggelegen alpenland met toppen van meer dan 3.500 meter. De bergwegen lijken er uitstekend te zijn; vooral de hoofdverbindingen die door Chinezen zijn aangelegd. Ook Joegoslavische wegenbouwers zijn in Jemen actief, maar hun werk wordt van veel minder kwaliteit beschouwd dan dat van de oosterlingen. Zodra je van de hoofdweg afgaat wordt het echter terreinrijden en dan blijkt dat dat erg onaangenaam kan zijn voor mensen met rugklachten.

In Sana'a, de wonderschone hoofdstad waar de monumentale, vele verdiepingen hoge lemen huizen onder internationale bescherming van de Unesco staan, is het een heksenketel; er is geen doorkomen aan. In de soek, de door de islamitische geestelijkheid geregeerde markt van Sana'a, is echter nauwelijks verkeer. De straatjes zijn daar te nauw en te vol voor. Als op een avond de elektriciteit uitvalt, wat naar men zegt vrij dikwijls gebeurt, worden er kaarsen en petroleumlampjes aangestoken. De soek transformeert in een sprookje uit duizend-en-een-nacht; sfeervol terug naar de middeleeuwen of naar het begin van de jaartelling.

Vreemdelingen worden vriendelijk bejegend. Wie bij een koopman ongewild te veel betaald heeft, krijgt, zo overkwam mij tenminste, zijn realen nog achterna gebracht. Westerlingen hebben over het algemeen weinig te vrezen in Jemen, al staan de regering en de bevolking enthousiast achter Irak en wordt Saddam Hussein sterk vereerd, omdat hij als geen andere Arabische leider de moed heeft het grote Amerika te weerstaan.

Velen, dat wil zeggen een flink deel van de mannelijke bevolking, lopen hier gewapend rond. Niet alleen met de traditionele jambiya in de buikriem maar ook wel met een geweer over de schouder, een Russische Kalasnikov of Duitse Mauser. Alleen in de hoofdstad is dat niet toegestaan. Elders kan het gebeuren dat de vreemdeling die op een cafeterras zit, plotseling zo'n wapen in de handen krijgt geduwd omdat de drager een pakje moet inpakken of even de schoenveters moet vastmaken.

Nederlanders die in dit land wonen zijn veelal heel enthousiast, vooral omdat het klimaat zo dragelijk is. Ze willen er niet weg maar zouden hun werk willen voortzetten, zelfs nu de mogelijkheid van oorlog in het Midden-Oosten steeds groter wordt. Sommigen die nu nog in Nederland zijn en hun kerstverlof achter de rug hebben, gaan ook weer terug. In tegenstelling tot andere Arabische bestemmingen, kan nog naar Jemen worden gereisd omdat het vliegverkeer nog niet is ontregeld of stopgezet. 'Non essentials' en 'dependents' (vrouwen en kinderen van ontwikkelingswerkers in Jemen, een 'concentratieland' van minister Pronk) zijn door Den Haag echter teruggeroepen. Van de Amerikanen en Britten in Jemen is vrijwel niemand meer over; de meesten hebben vorig jaar al een veilig heenkomen gezocht.

FRITS GROENEVELD

    • Frits Groeneveld