Witte en gekleurde boefjes

Delinquency and Ethnicity: An Investigation on Social Factors relating to Delinquency among Moroccan, Turkish, Surinamese and Dutch Boys

door M. Junger

184 blz., Kluwer Law and Taxation Publishers 1990, f 79, 50

ISBN 90 6544 5242

Maken jongens van twaalf tot zeventien jaar uit culturele minderheden zich vaker schuldig aan kleine, of 'veel voorkomende' criminaliteit dan Nederlandse jongens van die leeftijd uit sociaal-economisch vergelijkbare milieus? En zo ja, hoe komt dat? In haar Delinquency and Ethnicity probeert de Nederlandse criminologe Marianne Junger deze twee vragen te beantwoorden. Kennelijk met enig succes, want op 4 december 1990 promoveerde zij op haar studie tot doctor aan de rechtenfaculteit van de Vrije Universiteit in Amsterdam.

En van de grote uitdagingen van het criminologisch onderzoek is de waarneming van het 'dark number' of 'Dunkelziffer': die criminaliteit die om wat voor reden dan ook niet bij de politie bekend wordt en dus ook niet in de politiestatistiek terecht komt. De omvang van het dark number varieert per misdrijf, maar ook, bijvoorbeeld, naar tijd en plaats. Ter vergelijking: hoe groot zou in 1990 in Amsterdam het deel zijn van het werkelijke aantal fietsdiefstallen dat ook in de statistiek terecht komt? Hoe groot zou dit in 1950 geweest zijn? Hoe zit dat met tasjesroof, messentrekkerij en moord in 1950 en in 1990 in Amsterdam, Baarn en Napels? Brandende kwesties, tegenwoordig ook bij Nieuw Flinks.

De criminologie en de 'victimologie', die men als een onderdeel of juist als het complement daarvan kan beschouwen, ontwikkelden twee aardige, maar methodologisch nogal controversiele instrumenten om het dark number bij benadering vast te stellen, namelijk de 'slachtofferenquete' en het 'self report-onderzoek'. In de slachtofferenquete wordt aan mensen die behoren tot een representatieve steekproef uit (een bepaald deel van) de bevolking, gevraagd hoe vaak men in een bepaalde periode slachtoffer werd van bepaalde delicten. In het self report-onderzoek wordt aan zulke mensen gevraagd hoe vaak men in zo'n periode juist als dader bij allerlei delicten betrokken was. Voor beide typen onderzoek bestaan technieken om tot een totaal-schatting te komen van de onderzochte vormen van criminaliteit, dus inclusief het dark number.

Ook Marianne Junger had alle reden om de politiecijfers niet zo maar te accepteren. Zo is het niet ondenkbaar dat de politie bewust of onbewust jongens uit culturele minderheden discrimineert, of dat 'het publiek' bij wat wij hier 'gekleurde' jongens zullen noemen, een grotere aangiftebereidheid toont dan bij 'witte' jongens. In Jungers geval was self report het enige alternatief.

Gezegd moet worden dat zij dit nog meest controversiele van de twee instrumenten op zeer scrupuleuze wijze hanteert. Zo gaat zij uitvoerig in op de vraag naar de 'validiteit' ervan: of het wel meet wat men wil dat het meet. Haar antwoord, dat is gebaseerd zowel op eigen cijfers als op gegevens uit andere bron, is ontkennend. Vooral de 'sociale wenselijkheid' van brave antwoorden zou bij Turkse en Marokkaanse jongens leiden tot een onderschatting van hun niveau van criminaliteit.

Heel eerlijk - en heel verstandig - veegt Junger daarmee het door haarzelf verzamelde materiaal voor dit deel van het onderzoek van tafel. Minder verstandig is haar oplossing voor het nu ontstane probleem. Want tot grote verrassing van de lezer haalt zij nu weer ... de geregistreerde criminaliteit van stal, met daarbij een weinig overtuigend betoog dat het met die discriminatie bij nader inzien wel meevalt. Junger stelt vast dat van de onderzochte Marokkaanse jongens van twaalf tot zeventien jaar vierendertig procent ooit in zijn leven in Nederland een geregistreerd politiecontact had, terwijl van de onderzochte Turkse, Surinaamse en Nederlandse jongens respectievelijk tweeentwintig, drieentwintig en vijftien procent dit ooit had. De verschillen tussen 'gekleurde' en 'witte' jongens zijn significant. Maar zodra Junger hieruit concludeert - en dat doet zij - dat deze verschillen een redelijke indicatie geven voor verschillen in het werkelijke criminele gedrag van de onderzochte jongens, begeeft zij zich op erg glad ijs.

Bij Jungers tweede vraag (' hoe deze verschillen te verklaren' ) gaat het er vooral om of de factoren die samenhangen met delinquentie, bij 'gekleurde' jongens dezelfde zijn als die bij 'witte' jongens. Want het is mogelijk dat specifieke factoren, zoals hun van de in Nederland dominante afwijkende culturele achtergrond, die hogere cijfers veroorzaken.

Hierbij gaat zij uit van enkele in de criminologie gangbare theorieen. De eerste is de 'culturele deviantie-theorie'. Volgens deze theorie vertonen mensen afwijkend gedrag omdat zij veel contact hebben met andere mensen die zulk gedrag vertonen; er is sprake van afwijkende normen en waarden, 'deviante subculturen'. Een tweede groep theorieen vat Junger samen met de term 'modellen van sociale desorganisatie'. Zij onderscheidt hier eerst de ' strain-theorie'. Volgens deze theorie aanvaarden verreweg de meeste mensen in onze samenleving de dominante, vooral het materiele succes benadrukkende

waarden wel. Bij sommige mensen ontstaan echter spanningen omdat ze op het punt van dit materiele succes mislukken. Die spanningen lossen ze dan op met illegale middelen. Een tweede theorie waarin de 'sociale desorganisatie' een rol speelt, is de 'sociale controle-theorie'. Volgens deze theorie komen mensen tot crimineel gedrag omdat zij relatief weinig in de samenleving (gezin, school, werk, ) geintegreerd zijn en zich relatief weinig gelegen laten liggen aan de geldende waarden.

Daarnaast noemt Junger de 'gelegenheids-theorie', die zegt dat mensen, onder overigens gelijke omstandigheden, eerder crimineel gedrag vertonen als zij daar gemakkelijk de kans toe krijgen, bijvoorbeeld door het werk dat zij doen of de buurt waarin zij wonen. Kortom: de gelegenheid maakt de dief. Overigens is dit eerder een aanvulling op de andere theorieen dan als een alternatief ervoor.

SPANNINGEN

Ten slotte vermeldt Junger de 'culturele dissonantie-theorie', die ervan uitgaat dat er bij veel leden uit minderheden grote sociaal-psychologische spanningen ontstaan als gevolg van de verschillende, vaak conflicterende waardensystemen die zij in de loop van hun leven (hebben moeten) internaliseren. Deze spanningen kunnen onder andere leiden tot criminaliteit.

Junger gaat nauwkeurig en genuanceerd te werk. Waar zij de genoemde theorieen aan de orde stelt, gebruikt zij self report-cijfers of juist politiecijfers of allebei om de theorie, voor zover dat kan, te toetsen. Zij omzeilt de kuil waarin veel onderzoekers vallen die gebruik maken van dit soort in wezen nogal oppervlakkige methoden (gestructureerde vragenlijsten aan representatieve steekproeven voorleggen), en zij produceert geen 'tabulated nonsense'. Toch is er een wezenlijk bezwaar tegen haar benadering: zij spreekt zich van tevoren uit voor de sociale controle-theorie en doet duidelijke pogingen deze theorie te verifieren, in plaats van haar te falsifieren, volgens het wetenschapstheoretische recept van Karl Popper. Het is namelijk over het algemeen vrij eenvoudig feiten te vinden die in overeenstemming zijn met een theorie. In het wetenschappelijk bedrijf gaat het er echter om zo kritisch mogelijk te proberen deze theorieen te confronteren met gegevens die er juist mee in tegenspraak kunnen zijn, het 'falsifieren' inplaats van het 'verifieren'. Hoe langer een theorie tegen falsifieren bestand blijkt, des te meer kunnen we haar (voorlopig) accepteren.

Juist bij het neersabelen van de culturele dissonantie-theorie maakt Marianne Junger het zich wel heel gemakkelijk, en dat is opmerkelijk, want het gaat hier om de enige van bovenstaande theorieen waarin de delinquentie onder 'gekleurden' centraal staat. Zo gaat zij ook minder diepgaand dan wenselijk in op de vele problemen en hun mogelijke consequenties in termen van criminaliteit die het migratieproces zelf met zich mee kunnen brengen. Geen wonder dat de eerste stelling bij het proefschrift luidde: “ De sociale controle-theorie is een goede voorspeller van delinquent gedrag bij zowel Nederlanders als allochtonen.”

GEZIN

Kortom, Junger blijft bij de bewering dat het vooral de banden met het gezin, met de school en die rond de vrijetijdsbesteding zijn die criminaliteit voorspellen. Zijn deze banden zwak ontwikkeld, of worden de conventionele waarden er weinig benadrukt, dan is de kans op criminaliteit relatief groot. Dit leidt bij Junger tot aanbevelingen als die in stelling 12 bij haar proefschrift: “ Als er een sterke relatie bestaat tussen het functioneren van het gezin en delinquent gedrag, dan zal men, om delinquent gedrag tegen te gaan, in het gezin moeten ingrijpen. Aan een zeker moralisme valt niet te ontkomen (zie ook J. Soetenhorst-de Savornin Lohman; NRC, 24 juli 1990).”

De vraag dringt zich op of in deze conclusie niet wat al te eenzijdig wordt gekeken naar de minderheden zelf als bron van alle narigheid, in plaats van naar (nogmaals) het migratieproces of, algemener, de problemen waarmee de Nederlandse samenleving de minderheden confronteert. Afgezien daarvan: hoe stelt Junger zich dat ingrijpen in het gezin eigenlijk voor?

Tijdens de promotie wees de hooggeleerde Doek op de geringe omvang van het boek: de eigenlijke tekst omvat slechts honderdelf pagina's. In zijn felicitatietoespraak pareerde promotor Blankenburg deze flauwiteit manhaftig. Hij wees niet alleen op de vele informatieve bijlagen die het boek telt, maar memoreerde zelfs het geval van die Duitse econoom die een proefschrift schreef van dertien pagina's en, toen hij werd voorgedragen om hoogleraar te worden, werd vrijgesteld van de plicht tot een 'Habilitation' omdat die dertien pagina's zo briljant waren dat zoiets als overbodig werd beschouwd. “ In die zin, “ zei Blankenburg, “ is uw proefschrift op z'n hoogst te lang. “

Zo ver hoeft men, als men juist wil pleiten voor korte, leesbare proefschriften, niet te gaan. Evenmin hoeft men zo ver te gaan als de uit Amerika overgekomen hooggeleerde opponens Gottfredson, die sprak van een 'superb piece of work', om vast te kunnen stellen dat dit boek, met de al genoemde zwakke punten, een waardevolle bijdrage kan zijn aan zowel de discussie over de ('tweede generatie') culturele minderheden als aan die over misdaad en straf.