Verdeeldheid over juridische uitleg van Golfbesluit Kamer; Volgens Groen Links beslist nu 'koning Lubbers'

DEN HAAG, 12 jan. - De Tweede Kamer is gisteravond in meerderheid politiek akkoord gegaan met Nederlandse militaire deelname aan een Golfoorlog, maar juridisch heeft ze zich bij oorlogsbesluiten buiten spel gezet.

Dat is de opvatting van de Tilburgse hoogleraar staats- en bestuursrecht mr. A. Koekkoek. De voorafgaande toestemming van Eerste en Tweede Kamer in verenigde vergadering, die de Grondwet voorschrijft, is volgens hem “door een Kamermeerderheid, het kabinet en de Haagse rechtbankpresident tot een wassen neus gemaakt”.

Artikel 96 van de Grondwet schrijft voor dat “het Koninkrijk niet in oorlog wordt verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal”. Volgens Koekkoek is dit artikel nu stuk gemaakt door een veel te letterlijke interpretatie.

Het kabinet beroept zich op de zienswijze van minister Beel (binnenlandse zaken) bij de Grondwetsherziening van 1953. Volgens Beel heeft het kabinet geen toestemming vooraf nodig van beide Kamers voor het plegen van oorlogshandelingen, maar alleen voor het in oorlog verklaren. Het was volgens hem een zuiver procedurele bepaling die alleen geldt als het kabinet ook werkelijk van plan is om een ander land de oorlog te verklaren.

Dat is Nederland met Irak niet van plan, aldus Lubbers gisteravond, al was het alleen maar omdat Irak dan gelegitimeerd is om ook ons land aan te vallen. En passant deelde hij bovendien mee volgende week dinsdag sowieso met de Senaat te zullen praten over de Golf. Voor het Nederlandse besluit om militair deel te nemen zocht hij de juridische legitimatie in het volkenrecht.

VN-lidstaat Nederland probeert op grond van resolutie 678 van de Veiligheidsraad in het Golf-gebied de internationale vrede en veiligheid te herstellen met “alle noodzakelijke middelen”, aldus de resolutie. Daardoor is Nederland bevoegd om geweld te gebruiken, maar niet verplicht. Aangezien de Grondwet voorschrijft dat de regering “de internationale rechtsontwikkeling bevordert”, kan worden volstaan met een gewoon regeringsbesluit dat hieraan uitvoering geeft. Toestemming vooraf van de Staten-Generaal, noch een in-oorlog-verklaring zijn nodig of politiek gewenst.

Maar, zo zegt Koekkoek, “de Nederlandse Grondwet is daar ook niet mee in strijd. Je kunt internationale verplichtingen nakomen en tegelijkertijd aan de eigen grondwet voldoen”. Hij vindt bovendien dat er gekeken moet worden naar de bedoeling van artikel 96. “Bij besluiten met zo vergaande gevolgen, moet er een bijzondere procedure worden gevolgd.” Het besluit om de Nederlandse marine in de Golf een Amerikaans vliegdekschip te laten verdedigen, heeft zulke vergaande gevolgen. Het betekent voor hem dat Nederland straks vermoedelijk deelneemt aan een oorlog.

Koekkoek wijst er ook op dat het kabinet eind jaren zeventig nog heel anders dacht over de rol van de Staten-Generaal bij dreigende oorlogshandelingen. “Het grondwettelijke voorschrift beoogt de volksvertegenwoordiging voor het begin van de oorlog te betrekken bij de afweging van de grote belangen die in deze omstandigheden op het spel staan”, zo citeert Koekkoek de regering uit een Memorie van Antwoord uit 1979.

Met uitzondering van Groen Links vond in de gehele Kamer gisteravond niemand dat met dat “betrekken” was gedoeld op beide Kamers in verenigde vergadering. Alleen fractievoorzitter Beckers (Groen Links) concludeerde dat de Kamer nu weer terug was bij de Grondwet van 1814 waarin stond dat “de Koning beslist over oorlog en vrede”. Volgens haar beslist nu “koning Lubbers” over oorlog en vrede. In dit geval is er de facto aan Irak de oorlog verklaard, meent zij. De gewone politieke spelregels gelden weliswaar, maar dat was met Lubbers toch altijd maar een kwestie van afwachten.

In een verenigde vergadering zag zij nu net een garantie van de grondwetgever dat in dit soort gevallen een bijzonder zware controleprocedure wordt gevolgd. Toepassing van artikel 96 in dit geval is ook een garantie voor de bevolking tegen toekomstige parlementen die wel eens “niet zo alert en actief” kunnen zijn. Zou de Kamer deze kans voorbij laten gaan, dan wordt er staatsrecht geschreven, alleen “naar de verkeerde kant”.

Fractievoorzitter Brinkman (CDA) citeerde CHU-fractievoorzitter Tilanus die bij de Korea-crisis had opgemerkt dat “men branden niet met wetboeken moet proberen te blussen”. Destijds had Nederland ook geen in-oorlog-verklaring, zo was hem opgevallen. Een gezamenlijke vergadering was voor Brinkman eigenlijk alleen nodig als Nederland is aangevallen en dus al in oorlog is. Ook D66, de VVD en de PvdA vonden de bijzondere procedure niet nodig.

Volgens Middelkoop (GPV) zag Beckers bovendien over het hoofd dat toestemming alleen gegeven kan worden als het kabinet er ook om vraagt. Aangezien het kabinet zich helemaal niet in oorlog met Irak wil verklaren, zal er niet om een in-oorlog-verklaring worden gevraagd en kan er dus ook geen toestemming worden verleend. Zo'n verenigde vergadering zou dus niks te doen hebben en neerkomen op “het verplaatsen van lucht”.