Verdachte neushoorns

Na drugs vormen uit het wild afkomstige zeldzame planten en dieren de meest lucratieve smokkelwaar ter wereld, met als bonus dat de straffen eindeloos veel lager zijn. Aruba en de Nederlandse Antillen zijn een centrum van deze zwarte handel.

In een van de dienstgebouwen op Schiphol ligt onder een tafel een grote lege plastic tas. Het model is nondescript, de kleur vaal bruin. Opvallend zijn alleen enkele tientallen gaatjes. Tijdens een recente vlucht van Madeira naar Nederland moest daardoor genoeg lucht binnenstromen voor een partij gesmokkelde hagedissen: 4500 exemplaren, met vijftig tegelijk verpakt in katoenen zakjes. Toen de douane de tas opende bleken de bovenste 2500 hagedissen de onderste 2000 geplet te hebben.

Vijf a tien keer per jaar wordt tussen de spullen van een Zuid Amerika-reiziger een stuk PVC-buis gevonden waarin een met valium verdoofde papegaai. In de beha van een reizigster uit Suriname ontdekten de autoriteiten een kleine aap - en op een koelschip in Rotterdam een partij voor consumptie bestemde diepgevroren apen. Steeds meer postpakketten bevatten levende slangen of schildpadden: een actie van een week op een expeditieknooppunt van de PTT bracht 500 reptielen aan het licht.

De smokkel van bedreigde dier- en plantesoorten geniet in criminele kringen grote belangstelling. Het wereldjaartotaal beloopt nu een waarde van ongeveer vijf miljard dollar. De levende handelswaar bestaat ondermeer uit veertigduizend apen, drie miljoen vogels, driehonderdvijftig miljoen vissen en een miljoen orchideeen, terwijl van tien miljoen reptielen en vijftien miljoen zoogdieren de huid illegaal wordt verhandeld. Zelfs de allerzeldzaamste soorten worden niet ontzien. Een paar jaar geleden werd in Liechtenstein een handel in huiden van de Chinese reuzenpanda opgerold. Eind 1988 vond men bij onderzoek in bontwinkels in Nepal drie jassen van de legendarische sneeuwluipaard a vier vellen per jas.

Na drugs vormen uit het wild afkomstige zeldzame planten en dieren de meest lucratieve smokkelwaar ter wereld, met als bonus dat de straffen eindeloos veel lager zijn - vaak alleen verbeurdverklaring. Eventuele boetes varieren in Nederland van fl. 100, - voor de toerist met een ivoren snuisterij tot omstreeks fl. 10.000, - voor de zware jongens: niet veel, gelet op het feit dat begin deze eeuw een soort per jaar uitstierf, in 1980 een soort per dag, en nu een soort per uur - en dat de internationale handel daar veel mee te maken heeft.

Het Koninkrijk der Nederlanden biedt in dit verband boeiend studiemateriaal. Wetgeving en controlemaatregelen in het gebiedsdeel Nederland onderscheiden zich gunstig van de rest van de wereld, maar de gebiedsdelen Aruba en de Nederlandse Antillen worden steeds vaker gebrandmerkt als wetteloos handels- en doorvoerstation van levende, kwijnende en dode contrabande uit de natuur van de omringende landen.

BONAFIDE

Aan de internationale regelgeving ligt het allemaal niet. Een jaar of twintig geleden brak in brede kring het besef door dat deze handelsstromen moesten worden afgedamd: bij de bron (vooral ontwikkelingslanden) en, beter nog, bij de monding (vooral het westen en Japan). In 1973 resulteerde dat in de Conventie van Washington, officieel de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (CITES), die nu 108 partijstaten heeft. Bij dit verdrag zijn de appendices essentieel: lange lijsten met bedreigde soorten. Staat een plant- of diersoort op appendix I, dan is alle handel van, naar en tussen partijstaten verboden. Dat geldt ook voor onderdelen: huiden, hoorns, prullebakken van olifantepoot etcetera. Soorten op appendix II mogen alleen worden verhandeld met een vergunning, aan te vragen bij de CITES-autoriteiten in het land van uitvoer. In totaal staan nu 2400 diersoorten en 30.000 plantesoorten op de appendices.

Nederland bekrachtigde CITES pas in 1984, maar voor die vertraging bestond een bonafide reden. Sinds 1977 is hier de Wet Bedreigde Uitheemse Diersoorten (BUD) van kracht, die veel strenger is dan CITES omdat ook het bezit van veel bedreigde dieren, of onderdelen daarvan, verboden is.

In 1984 werden alle EG-lidstaten door een verordening gedwongen de CITES-bepalingen op te nemen in hun in- en uitvoerwetgeving. Met handhaving van de wet BUD tekende Nederland het verdrag aldus in april van dat jaar - maar met een kanttekening: de aansluiting gold niet voor het gebiedsdeel Nederlandse Antillen, want daar moest eerst nog een passende wetgeving worden opgesteld. Ondertussen is heel Zuid Amerika en praktisch heel Midden Amerika partij geworden van het CITES verdrag, en des te blijer zijn de zwarthandelaren met de faciliteiten op de Antillen: in alle rust kunnen ze hun goederen daar opslaan en gereedmaken voor verder transport. Want die wetgeving is er nog steeds niet.

Over de Antillen verderop meer - eerst het moederland. Hoe lastig het is om een herbergzaam, goed geordend gebied, met strenge wetten en deskundige controleurs, papegaai-dicht te maken, blijkt uit de statistieken - 8000 binnengesmokkelde exemplaren in 1986 en 1987 - en bij een rondgang langs de betrokken autoriteiten. Afgezien van papegaaien blijken zich ook problemen voor te doen met pijlgifkikkers, orchideeen, kameleons, bavianen, zwarthalszwanen, pythons, buizerds, kolibries en honderden andere bedreigde soorten.

In de kamer op Schiphol waar ook de geperforeerde tas ligt, hangt aan de muur een gekleurde plaat met afbeeldingen van 46 amazonepapegaaiesoorten en -ondersoorten, die alleen bij zorgvuldige bestudering iets van elkaar blijken te verschillen. 'Er staan 300 papegaaiesoorten op appendix I en dertig op appendix II', meldt Ton Schleedoorn, chef van vijf man van de Algemene Inspectiedienst (AID) van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Ze helpen de douane op Schiphol en in de havens van Amsterdam en Rotterdam bij het identificeren van verdachte planten en dieren - een specialisme dat alleen in Nederland en de VS bestaat. “ De groenvleugelara mag met vergunning wel verhandeld worden, de geelvleugelara nooit, want die staat op appendix I”, zegt Schleedoorn. “ We hebben hier wel eens een krat groenvleugelara's met daartussen een paar geelvleugelara's waar het geel is overgespoten. Bij reptielen zijn de herkenningspunten van verboden soorten nog veel lastiger. Handelaren hoeven ze alleen maar in een kist te doen met een wel verhandelbare soort die er precies op lijkt.”

Hoewel de contouren van de markt vrij duister zijn, staat vast dat het allemaal goed loont. Een jaar geleden werden twee duitsers gegrepen met vier koffers vol superzeldzame cactussen uit Mexico: 1251 onooglijke, grauwe plantjes, maar exclusief en daarom zeer gewild bij de liefhebbers. Handelswaarde: ongeveer fl. 100.000, -. Wie een interessante papegaai langs de douane smokkelt, gaat er vijf tot tienduizend gulden op vooruit. En wie op vakantie in Marokko tien landschildpadjes vangt, vangt in Nederland vijftienhonderd gulden.

Soms wordt voorgewend dat een gesmokkeld dier hier geboren werd. Schleedoorn: “ Van een groot papegaaiefokbedrijf in Noord Holland kreeg het CITES-bureau het bericht dat ze drie hyacintara's hadden gefokt. Dat is de grootste papegaaiesoort:ruim een meter lang en bijzonder mooi. Een paartje brengt fl. 20.000, - op. We vonden het verdacht, en hebben toen wat bloed afgenomen bij de dieren die als de ouders werden aangewezen, en ook bij de drie jongen. Bleek dus uit het DNA-onderzoek dat het verhaal niet klopte.” Er volgde een forse boete: fl. 25.000, - plus verbeurdverklaring van de drie gesmokkelde dieren, die sindsdien in Blijdorp werken.

Dit 'wit wassen' van CITES-soorten gebeurt ook in dierentuinen. Vooral in Oost Europa, waar weinig landen het verdrag tekenden en veel behoefte is aan harde valuta, wil nog wel eens een verdachte neushoorn of chimpansee geboren worden. Een koper in een partijstaat heeft behalve een exportvergunning, ook een importvergunning nodig - in Nederland af te geven door drs. Chris Schurmann, hoofd van het CITES-bureau bij het ministerie van LNV. “ Als een dierentuin een aap uit Warschau wil laten komen, gaan we bij voorbeeld te rade bij een database van alle dieren in alle dierentuinen. Als daaruit blijkt dat die apesoort in Warschau nog nooit eerder gefokt is, dan zullen we het dier niet accepteren, ook al zijn de overheidsdocumenten nog zo mooi.”

KOLONIALISTISCH

Alle goede regels en zorgen ten spijt, heeft CITES ook critici. Volgens sommigen dragen de verbodsbepalingen in hoge mate bij aan de begerenswaardigheid van schoenen van breedvoorhoofdkrokodilleleer of een kooi met een zwartmaskerdwergpapegaai. Aan de andere kant zijn er groeperingen die pleiten voor een volledig verbod op alle handel van wilde flora en fauna.

In het midden van het spectrum staat TRAFFIC, een particulier, door het Wereld Natuur Fonds gefinancierd internationaal opsporingsnetwerk om de CITES-autoriteiten bij hun werk te steunen. TRAFFIC wordt door CITES officieel erkend, en doet bij voorbeeld gedetailleerde voorstellen op CITES-conferenties.

Drs. Arnold van Kreveld is hoofd van het Nederlandse TRAFFIC-bureau in het WNF-gebouw in Zeist. Wel of geen volledig handelsverbod is voor hem enigszins een dillema: “ Als ik zie hoe die vogels verhandeld worden, dan denk ik: moet dat nou zo? Maar om het helemaal te verbieden is bijna kolonialistisch. De belangen van de producerende landen worden door CITES niet vergeten. Juist daarom zijn er zo enorm veel landen aangesloten. Verbied je alle handel in alles wat maar een beetje bedreigd is, dan zeggen de producenten: je doet maar, we stappen eruit.”

Sterker nog, meent zowel Van Kreveld als Schurmann, door legale exportquota vast te stellen voor soorten van appendix II, wordt hun voortbestaan gewaarborgd. In theorie althans.

Individuele landen kunnen uiteraard wel tot een handelsstop besluiten. Onder druk van dierenwelzijnsgroepen zal in de VS binnen vijf jaar, los van CITES, een volledig verbod op de invoer van alle wilde vogels van kracht worden. In Nederland wordt iets dergelijks zeker niet overwogen, aldus Schurmann, “ want dergelijke maatregelen zijn contrair aan de doelstellingen van de conventie. Het oogmerk is primair de bescherming van de natuur, niet van het individu.” Het quotasysteem voor soorten van appendix II is een middel om landen aan CITES te binden, en ze te dwingen tot een volledige stop op de handel in soorten van appendix I. Ook zijn de quota's als sanctie hanteerbaar. Van Kreveld: 'Vindt de douane op de Filipijnen een illegale partij krodilleleer uit Soedan, dan gaat dat van volgende quota af. Maar afgezien van quotaverlaging zijn sancties vrijwel afwezig. Thailand is al jaren lid van CITES en staat bekend als een bloeiend centrum van handel in bedreigde soorten, zonder dat er tegen valt op te treden.'

IVOREN SOUVENIRS

In juli 1990 zond Juan Villalba-Macias, directeur van TRAFFIC Zuid Amerika, aan de CITES-autoriteiten in een reeks Zuidamerikaanse landen een memorandum waarin ondermeer: “ Op grond van wat wij hoorden tijdens reizen in uw landen, aangevuld met informatie uit diverse bronnen, hebben wij vastgesteld dat Aruba, Curacao en Bonaire behoren tot de belangrijkste doorvoerstations voor huiden en levende dieren uit de regio.”

Omdat er veel meer van dergelijke signalen waren, en al lang, besloot TRAFFIC Nederland een onderzoek in te stellen, dat vandaag in de openbaarheid komt. (Zie ook het VARA-programma Vroege Vogels, vandaag om 17.40 uur op TV 1.) Blijkens het door Van Kreveld opgestelde rapport worden zeeschildpadden op de Antillen vrijelijk verhandeld (fijngehakt voor in de pan of opgezet voor in de kamer), ivoren souvenirs trouwens ook, en jaarlijks gaan duizenden horlogebandjes en honderden tassen en schoenen van reptieleleer over de Antilliaanse toonbanken. Nog ernstiger is de doorvoer. De 3000 levende brilkaaimannen die in 1987 van Venezuela via Curacao richting Taiwan werden gesmokkeld, en op Schiphol werden onderschept, vormen slechts het topje van deze tropische ijsberg. Vorig jaar werd in de VS een partij van 40.000 kaaimanhuiden ontdekt die via de Antillen het Zuidamerikaanse continent zou zijn uitgesmokkeld.

Voor het spelen van deze kwalijke rol, liggen de eilanden erg gunstig. Van Kreveld: “ Als je een lading huiden direct van Venezuela naar Spanje wil smokkelen, moet dat met een groot schip. Dat betekent dat je uit een reguliere haven moet vertrekken, en daar is douane aanwezig. Het is veel handiger om de huiden eerst naar de Antillen te brengen met een klein bootje dat van een willekeurig punt van de kustlijn kan vertrekken.”

Papegaaien zijn de enige dieren die op de Antillen niet vrij ingevoerd mogen worden, en volgens het TRAFFIC-rapport worden alleen al op Curacao jaarlijks 170 Amazone papegaaien ingerekend. “ Het veilig aan te nemen dat de meeste papegaaien niet onderschept worden, omdat anders de handel al lang stil lag”, aldus het rapport. Inclusief sterfte bij de vangst en onderweg kost alleen het smokkeltraject Venezuela-Curacao het Amazonegebied per jaar een papegaai of duizend - naar aangenomen mag worden van de zeldzaamste soorten, want die leveren het meeste op.

Op 22 november 1990 ventileerde staatssecretaris Gabor van Natuurbeheer per brief aan minister Hirsch Ballin van Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, zijn grote ongerustheid over de situatie op de Antillen. Een paar dagen later volgde een brief van minister Hirsch Ballin aan de Minister Presidenten van de Antillen en van Aruba, waarin ambtelijke bijstand werd geboden bij het opstellen van wetgeving die aansluiting bij CITES mogelijk moet maken.

Woordvoerder L. Nicolaas van het Kabinet van de Gevolmachtigde Minister van de Nederlandse Antillen in Den Haag laat weten dat men op Curacao 'druk bezig' is met het opstellen van wetten. (“Maar dat werd in 1981 en 1989 ook gemeld”, reageert Schurmann.)

“Da's moeilijk”, reageert Nicolaas op de vraag wanneer de wetgeving gereed zal zijn. Hij wijst op tekorten aan ambtelijk personeel en technische kennis, het aanbod van Nederlandse hulp ten spijt. Wanneer een reactie op dat voorstel kan worden verwacht, kan hij evenmin zeggen.

Niet bekend

Als het allemaal lukt, resteert natuurlijk nog de vraag of de Arubaanse en Antilliaanse douanes bij machte zijn alle verdachte zendingen op te sporen. Dat de drugshandel op de Antillen welig tiert, terwijl er duidelijke connecties en overlappingen bestaan tussen het drugs- en het bedreigde soorten-circuit, stemt niet optimistisch. En dan moet de opsporingsambtenaar nog bij machte zijn de groenvleugelara van de geelvleugelara te onderscheiden.

Dat zelfs Nederland, de unieke Wet BUD en de AID-deskundigen ten spijt, toneel is van een levendige zwarte handel, is voor alle vrije papegaaien, kaaimannen en soepschildpadden reden tot ernstige ongerust heid.

    • Michiel Hegener