Israels geheime diensten

The Imperfect Spies. The History of Israeli Intelligence

door Yossi Melman en Dan Raviv

469 blz., Sidgwick en Jackson 1989,

f 65, 95

ISBN 0 283 99710 9

By Way of Deception. The Making and Unmaking of a Mossad Officer

door Victor Ostrovsky en Claire Hoy

371 blz., St. Martin's Press 1990 (importeur voor Nederland Van

Ditmar), f 50, 70

ISBN 0 312 05613 3

Mossad. Israel's Most Secret Service

door Ronald Payne

234 blz., Bantam Press 1990, f 60, 60

ISBN 0 593 01443 X

Als de Israelische buitenlandse inlichtingendienst Mossad zou beantwoorden aan zijn eigen legende, dan was de wereld nu waarschijnlijk verlost geweest van Saddam Hussein. Kennelijk liggen de zaken toch anders dan de verhalen ons willen doen geloven. Zou het geprobeerd zijn? Of staat ons nog een verrassing te wachten? In elk geval, de cruciale betekenis van Israels geheime diensten behoeft in tijden als deze geen bijzondere toelichting.

Voor alle duidelijkheid: de beroemde Mossad (voluit: 'Mossad le-Modiin ule-Tafkidim Meyuhadim' oftewel 'Instituut voor Inlichtingen en Speciale Opdrachten') is weliswaar de blikvanger van Israels veiligheidsapparaat, maar niet de grootste of belangrijkste organisatie. De militaire inlichtingendienst, bekend onder het acronym Aman, komt die plaats toe. Daarnaast kent Israel een binnenlandse veiligheidsdienst, bekend onder de beginletters Shin Bet, die tevens belast is met bewakingstaken van diplomatieke posten en vliegtuigen in het buitenland.

Shin Bet en Mossad vallen onder verantwoordelijkheid van de premier, Aman onder de minister van defensie. In de strijd tegen het terrorisme en voor het vergaren van informatie over de vijandelijke legers werken de diensten samen. Ook andere organisaties kunnen worden ingezet, zoals een commando-eenheid, Sayeret Matkal, die rechtstreeks onder de opperbevelhebber van het leger valt. De moord op de tweede man van de PLO, Khalil el-Wazir alias Abu Jihad, in april 1988 in Tunis werd (volgens Melman en Raviv in hun boek The Imperfect Spies) door deze eenheid met behulp van de Mossad uitgevoerd. Abu Jihad was ook een goede bekende van Shin Bet, die een oog hield op diens activiteiten in bezet gebied en in Israel zelf.

De auteurs van de drie onderhavige boeken beweren allen, dat zij een waarheidsgetrouw en compleet beeld geven van een of meer van Israel's inlichtingendiensten. De ex-Mossad agent Victor Ostrovsky (bijgestaan door de journalist Claire Hoy) beroept zich op authenticiteit. De journalisten Melman, Raviv en Payne zijn buitenstaanders, zij het in gradaties. Payne is de amateur. Zijn boek is een compilatie van eerdere Engelstalige werken. Het biedt weinig nieuws en er staan hinderlijk veel slordigheden en fouten in.

De hitsige toon van de 'tabloid' die Payne vaak hanteert, is afwezig bij Melman en Raviv. Beiden zijn goed geinformeerd en hebben eerder op hetzelfde terrein gepubliceerd. Melman bewerkte onder andere het door Iraanse studenten op de CIA buitgemaakte materiaal, waaronder zich rapporten bevonden over de Israelische inlichtingendiensten. Men mag de auteurs op hun woord geloven dat zij zaken alleen vermelden als ze die van meer dan een kant bevestigd hebben kunnen krijgen. Er zijn honderden verwijzingen naar hun bronnen en een uitgebreide literatuuropgave met veel Hebreeuwstalige boeken en artikelen. Behalve enkele verschrijvingen is er slechts een echte fout (Arafat wordt al in 1967 PLO-leider genoemd, hij verwierf die positie in 1969). Anders dan Payne behoren de Israeli Melman en de Amerikaan Raviv tot het gezelschap van 'ingewijden'. Dat zijn politici, ambtenaren, journalisten, buitenlandse diplomaten en inlichtingendiensten (ook Arabische), die veel weten over Israels veiligheidsapparaat. Zoals de identiteit van de huidige directeuren van de Mossad en de Shin Bet. Aan de buitenwacht worden die pas na hun vertrek uit de dienst bekend gemaakt.

WRAAK

Niet bekend

Afgaande op het aantoonbaar grote aantal fouten en verzinsels is de inhoud nauwelijks geloofwaardig. Neem Ostrovsky's poging het begin van zijn dienstijd bij de Mossad met een jaar te vervroegen naar eind 1982. Hij spreekt zichzelf hierover herhaaldelijk tegen. De poging dient trouwens niet alleen om een professioneler imago voor te wenden (twee jaar is kort), maar ook om een belastende episode uit zijn leven te verdonkeremanen. In 1983 viel oud-marine officier Ostrovsky namelijk na een korte, enigszins louche zakencarriere wegens schulden in handen van afpersers. Om aan hen te ontsnappen, meldde hij zich als verklikker bij de politie. Het spel met de criminelen werd een succes. Zou hij hieraan zijn ingang bij de geheime dienst te danken hebben?

De sfeer van authenticiteit in het boek neemt niet weg dat Ostrovsky er als een poseur uit naar voren komt. Dat irriteert. De lezer moet wel over een gedegen kennis van het Midden-Oosten en van Israel beschikken om feit en fantasie uit elkaar te kunnen houden. Dat geldt bijvoorbeeld voor Ostrovsky's versie van de populaire beschuldiging dat politiek links het doelwit is van de immer reactionnaire geheime diensten. Twee van de voorbeelden waarin hij de Mossad hiervan beticht, spelen in de periode dat Jitschak Hofi directeur van de Mossad (1974-1982) was. Ostrovsky noemt Hofi's naam in dit verband niet, noch het feit dat Hofi zelf bij politiek links hoort. Voor dat soort sociale en politieke gegevens is het boek van Melman en Raviv onmisbaar. Zo beweert Ostrovsky dat de Mossad in juni 1981 het vredesbeleid van Israels minister van Buitenlandse Zaken richting de PLO doorkruiste. Hij noemt de naam van de toenmalige minister niet. Het was Jitschak Shamir, die in een voor hem groteske rol wordt opgevoerd.

VERVALSING

Een ander voorbeeld van subversieve actie, tegen Shimon Peres, is eveneens geconstrueerd. Het gaat om de vervalsing van diens handtekening voor de geheime verkoop van Skyhawk-gevechtsvliegtuigen aan Indonesie. In feite vond die transactie twee jaar eerder plaats, voordat Peres premier was, en de overdracht is onder andere gedocumenteerd in The Military Balance 1981-2 en bij Melman en Raviv. Blijkens de Washington Post hadden de Verenigde Staten de vereiste toestemming verleend. Ostrovsky schijnt dit niet te weten en komt met een tweede beschuldiging, die als een rode draad door het boek loopt: de Mossad bedriegt niet alleen zijn vijanden, maar ook zijn vrienden. Bij het Amerikaanse publiek raakt zo'n bewering een gevoelige snaar.

Dit verschijnsel latend voor wat het is, blijven er twee sensatieverhalen over. De eerste is dat de Mossad informatie over de verblijfplaats van in Libanon gegijzelde Amerikanen zou hebben achtergehouden. Pompeus roept Ostrovsky: “ Hadden de Verenigde Staten die informatie wel gekregen, dan was het nooit tot de Iran-Contra-affaire gekomen.” Buitenstaanders kunnen zo'n bewering niet toetsen, maar alleen op haar merites schatten. Bekend is in ieder geval dat de Israelische inlichtingendiensten in het duister tasten over het lot van de al jaren in Libanon gevangen gehouden Israeli's, laat staan dat men hen heeft kunnen bevrijden.

Ook in het tweede voorbeeld draait de manipulatie (van de Mossad of van Ostrovsky) om het gehalte van de kennis over terreurzaken. Het betreft de sji'itische zelfmoord-aanval op het hoofdkwartier van de Amerikaanse mariniers in Beiroet in 1983. De Mossad wist dat er een witte Mercedes-vrachtauto gereed werd gemaakt voor zo'n aanslag, aldus Ostrovsky, en lichtte de Amerikanen onvoldoende in. Hiermee in strijd is dat de commandant van de mariniers, generaal Mead, zich na de aanslag verontschuldigde met de opmerking, dat “ wij vrijwel dagelijks werden gewaarschuwd voor witte Mercedes-vrachtauto's”. Bovendien vonden er die dag in een gecoordineerde actie niet een, maar twee aanslagen met vrachtauto's plaats, de andere op het Franse hoofdkwartier. Ostrovsky noemt die tweede aanslag niet. Begrijpelijk, want niemand zou hem geloven, als hij de Mossad van voorkennis over zowel de aanslag tegen de Amerikanen als tegen de Fransen beschuldigt.

CARLOS

De legendarische alwetendheid van de Mossad krijgt een flinke deuk in de persoon van ex-agent Ostrovsky. Hij beheerst het abc van de gemiddelde Midden-Oosten-kenner niet. Vooraanstaande terroristen, zoals Abu Nidal, krijgen de leiding van een verkeerde groepering, terreurdaden worden aan de verkeerde daders toegeschreven. De terrorist Carlos is nu eens iemand die persoonlijk nooit aan aanslagen deelneemt, dan weer “ een voor hem kenmerkende terreuraanslag uitvoert - zijn beruchte 'bang, bang' en wegwezen”.

Grappig is ook dat Ostrovsky nietsvermoedend een door de Mossad gefingeerd bericht overneemt. Het gaat over Mordechai Vanunu, die in september 1986 Israel's atoomwapenprogramma openbaar maakte en daarna werd ontvoerd. 'Op een boot in de Middellandse Zee, ' aldus de Mossad, dat wil zeggen niet op het grondgebied van een bevriend land. (zie Melman en Raviv.) Hoe de ontvoering zich in werkelijkheid heeft afgespeeld, is nog steeds duister. Vanunu zelf heeft beweerd door een vrouw van Londen naar Rome te zijn gelokt, waar Mossad-agenten zich over hem zouden hebben 'ontfermd'. Wat deze versie niet helemaal onaannemelijk maakt, is het feit dat een ontvoering op Brits grondgebied Israel, dat toen toch al diplomatieke wrijvingen met Engeland had, slecht zou zijn uitgekomen.

Er zijn ook plaatsen in het boek waar men oprecht hoopt dat Ostrovsky maar wat zegt. Dat geldt vooral voor de passage waarin hij enkele Syrische diplomaten die voor Israel zouden hebben gespioneerd, met naam en toenaam noemt. Voor hun levens moet worden gevreesd. Dat is ook de reden waarom dit boek zo'n vieze smaak achterlaat: de auteur is volstrekt gewetenloos. Zelfs als men zijn rancune nog tot daar aan toe vindt, en dus het verraad van oud-collega's in Israel door het noemen van hun namen. Het bezorgt hun ongetwijfeld last, maar dodelijk hoeft het niet te zijn. Het verraden van de Syriers is echter een zinloze daad. Voor hen, of hun familie, is alleen al de suggestie in dit boek levensbedreigend. Zelfs als er niets van waar is.

Naar eigen zeggen is Ostrovsky in maart 1986 ontslagen als zondebok voor een grove blunder. Voor wie dit verhaal ongeloofwaardig vindt - de meeste recensenten - biedt Ostrovsky ander 'bewijsmateriaal'. Zo had hij het al bij zijn bazen verbruid door zich te beklagen over seksueel en financieel wangedrag. Helaas is zijn beschrijving van de Mossad als 'Sodom en Gomorra' niet erg pikant en zijn pose van met de ogen knipperende ooggetuige niet geloofwaardig. Naar verluidt is Ostrovsky ontslagen omdat hij rapporten zou hebben gefingeerd. Hoe dat ook zij, de Israelische staat heeft pas begin december 1990 - drie maanden na de vergeefse poging om publikatie via de rechter tegen te houden - in Canada om rechtsvervolging gevraagd van Ostrovsky, Hoy en hun uitgever. Op grond van het publiceren van enkele Mossad-nota's worden ze beticht van diefstal van staatseigendom. Israel eist alle inkomsten op plus twee miljoen dollar schadevergoeding.

Ostrovsky is immers de weg ingeslagen waarop andere ex-agenten hem zijn voorgegaan: die naar het grote geld. Bij die anderen gaat het om wapenhandel, adviesbureaus voor veiligheidszaken en wat dies meer zij. In menig schandaal, zoals in de wapenhandel met Iran, Columbia en Panama, duiken 'ugly Israeli's' op. In verhouding tot het modale ambtenarensalaris in Israel is er met hun deskundigheid elders veel meer te verdienen. Dat euvel strekt zich ook uit tot buitenlanders die in Israel zijn opgeleid. De bekendste is Ulrich Wegener, commandant van de Duitse anti-terreur eenheid GSG-9. In 1988 vertrok hij met zijn expertise voor goed geld naar Saoedi-Arabie. Melman en Raviv zeggen in hun boek dat er door deze gang van zaken meer kennis over Israels veiligheidsbeleid in verkeerde handen terecht komt dan via incidentele onthullende publikaties.

Het officiele geheimhoudingsbeleid is trouwens krampachtig en neigt naar willekeur. Juist omdat Israels geheime diensten zo'n vitale taak vervullen, is de behoefte aan democratische controle en aan kennis bij de bevolking navenant. De stelling dat de Israelische bevolking beter slaapt als zij slechts weet dat zij beschermd wordt en liever niet weet door wie en op welke wijze, is achterhaald. Melman en Raviv proberen in deze lacune te voorzien door de inlichtingendiensten op volwassen niveau te analyseren en hun plaats te geven in de politieke geschiedenis.

Israels inlichtingenapparaat is overbelast. De permanente bedreiging van zich bewapenende buurlanden en het wisselende karakter van het terrorisme (tot voor kort nog met grote logistieke steun uit het Oostblok) stellen zeer hoge eisen aan de relatief kleine inlichtingendiensten. Naast deze directe veiligheidszaken vragen andere kwesties die specifiek voor Israel zijn, de aandacht van de geheime diensten. Een daarvan is de zorg om onderdrukte joodse gemeenschappen in diverse landen en de pogingen hen naar Israel te laten emigeren. Jarenlang is het daarbij vooral om honderdduizenden joden in Arabische landen en Oosteuropa gegaan. Naderhand werden operaties ter bevrijding van Ethiopische joden op touw gezet. De voortdurende geheime contacten met Russische en Oosteuropese joden tot aan de perestrojka, de bescherming van joden in Latijns Amerika, het zijn allemaal taken die deels toevallen aan de inlichtingendiensten.

HYPOCRISIE

Een tweede bijzondere taak is het onderhouden van contacten met landen die geen openlijke relaties met Israel willen of durven aangaan. De rol van de Mossad blijft in dat kader niet beperkt tot inlichtingenzaken. Vaak opereert de organisatie als een parallel ministerie van Buitenlandse Zaken, een uitvloeisel van de hypocrisie waarmee veel Aziatische en Afrikaanse landen Israel bejegenen. Zij wensen diepe geheimhouding en vertrouwen die taak beter toe aan een inlichtingendienst. Indonesie's aankoop van tweedehands Skyhawk-gevechtsvliegtuigen liep op verzoek van de kopers via de Mossad.

De belangrijke positie die de inlichtingendiensten in Israels bestaan innemen, maakt de vraag naar de verhouding tot de politiek nog dringender dan in andere democratieen. Uit The Imperfect Spies krijgt men de indruk dat het veiligheidsapparaat zijn bevoegdheden in het algemeen niet overschrijdt, behalve als de politiek haar eigen taak laat liggen en de verantwoordelijkheden afwentelt op andere staatsorganen. Met name de binnenlandse veiligheidsdienst Shin Bet voelt zich tot 'zondebok van de bezetting' gemaakt. Deze tot 1967 kleine en gedisciplineerde organisatie werd het politieke vacuum van de bezette gebieden ingestuurd. Tegelijkertijd werd zij overvallen door het internationale Palestijnse terrorisme. Het is de Shin Bet gelukt zich hierop in te stellen, maar de hoge prijs die daarvoor moest worden betaald, is de verruwing van de manier waarop de dienst opereert. Daarbij horen het gebruik van geweld en het plegen van meineed wanneer het afdwingen van bekentenissen in de rechtszaal aan de orde werd gesteld. De angst om in gebreke te blijven, zeker als het gaat om het voorkomen van terreuraanslagen, heeft tot dilemma's geleid die het veiligheidsapparaat niet zelf kan oplossen.

Hoe fataal de politiek het opereren van de inlichtingendiensten kan beinvloeden, is gebleken toen Israel door de Egyptisch-Syrische aanval in oktober 1973 (de Jom Kippoer-oorlog) volkomen werd verrast . Hoewel het strikt gesproken om een intelligence-blunder ging, lag er een politieke oorzaak aan ten grondslag. Vrijwel de hele militaire en politieke top was besmet met 'Het Concept', dat wil zeggen de doctrine die zei dat de Arabische staten niet zouden aanvallen zolang zij geen goede kans maakten om Israel te verslaan. Vanuit deze politieke vooringenomenheid sloeg men de waarschuwingssignalen in de wind.

Er zijn evenwel ook gevallen bekend waarbij de politiek terecht de overhand behield op de mening die vanuit het veiligheidsappaaraat naar voren werd gebracht. Dat gold in 1981 voor het bombardement op de atoomreactor in Irak, waarvan de toenmalige Mossad-directeur zulke grote internationale repercussies verwachtte dat hij negatief adviseerde. Een ander advies dat genegeerd werd, dateert uit 1989. De chef van de militaire inlichtingendienst generaal Amnon Shahak sugereerde in een zakelijke analyse dat Israel ooit eens met de PLO zou moeten onderhandelen. De passage kwam in de openbaarheid, waarschijnlijk door toedoen van leden van de Arbeiderspartij. De reactie van premier Shamir was dat “ dit rapport nooit had mogen uitlekken en dus niet bestaat”. In de komende aprilmaand wordt Shahak echter de plaatsvervangend chef-staf van het Israelische leger. De chef-staf per die datum is zijn voorganger bij de militaire inlichtingendienst, generaal Ehud Barak, die de reputatie heeft 'het geheime wapen van de Arbeiderspartij' te zijn. Beiden zijn op deze hoogste posten benoemd met instemming van dezelfde premier Shamir. Het kan verkeren. Anderzijds is het de vraag welke plaats er in de analyses van de inlichtingendienst anno 1991 nog wordt ingeruimd voor de PLO.