'In de wereldpolitiek stelt de Franse nucleaire macht zeer weinig voor'; Grosser: 'Frankrijk moet kiezen voor een Europa met Duitsland'

PARIJS, 12 jan. - “Het grote Duitsland boezemt de Fransen steeds minder angst in. Vorig jaar, onder invloed van de gebeurtenissen in Oost-Europa, was er wel vrees voor de toekomst met een verenigd Duitsland, vooral bij de oudere generatie. Maar die is vrijwel verdwenen, wat niet wil zeggen dat Frankrijk weet welke plaats het in een verenigd Europa met dat Duitsland wil innemen.”

De gezaghebbende Franse politicoloog Alfred Grosser, 65 jaar geleden geboren in Frankfurt en perfect tweetalig, geldt als een groot kenner van de naoorlogse Frans-Duitse betrekkingen. Maandag neemt hij deel aan een congres in Groningen over de relaties tussen het nieuwe Duitsland en zijn negen buurlanden.

Grosser stelt vast dat aanvankelijk “merkwaardige historische overblijfselen” in de eerste Franse reacties op de eind 1989 al naderende Duitse eenwording een rol hebben gespeeld. “Zoals het gebruik van het woord Pruisen, dat niet meer bestaat. Ook Mitterrand spreekt vaak van Pruisen. Maar de jonge generatie accepteert de Duitse eenwording in grote mate in naam van de vrijheid.”

Toen in december 1989 demonstranten in de voormalige DDR voor 'Deutschland einig Vaterland' de straat op gingen, reisde Mitterrand naar Kiev om met Gorbatsjov de Duitse eenwording te bespreken, als ware de negentiende eeuw met haar evenwichtspolitiek tussen de Europese staten terug. Grosser: “Mitterrand betreurt dat nu in hoge mate. Hij heeft daar veel over gesproken. Het was een vergissing dat hij de Duitse eenwording niet tijdig heeft onderkend, zoals Bondskanselier Kohl zijn vergissingen over de Oder-Neissegrens beging. Maar niemand kon toen geloven dat Gorbatsjov zo snel zou capituleren en tot ieders verbazing op alles ja zou zeggen. Het blijft de vraag of Mitterrand niet een tijdje heeft gehoopt dat Moskou niet zou capituleren.”

In het Europa met het nieuwe grote Duitsland is het relatieve gewicht van Engeland en Frankrijk gedaald, zegt Grosser. In de eerste plaats is hun politieke gewicht verminderd nu er geen vier-mogendhedenstatuut meer bestaat. Dat statuut maakte Fransen en Britten in zekere zin de 'Vorgestezten' van de Bondsrepubliek. Voorts is de diplomatieke hoofdrol in de contacten met Oost-Europa in handen van Kohl en Genscher. En Duitsland zal zich minder dan voorheen het beleid door anderen laten voorschrijven.''

Grosser verwacht dat Frankrijk en Duitsland, zoals de laatste tien jaar het geval was, gezamenlijk de 'motor' van de voortgaande eenwording binnen de Europese Gemeenschap zullen blijven. “Ex-Bondskanselier Brandt heeft in een prachtige rede voor de Bondsdag op 20 december gezegd dat Jean Monnet een van de vaders van de Duitse eenwording is. Dat is precies het idee van Adenauer: zonder Europese Gemeenschap komt er geen Duitse eenwording. De CDU en de SPD zijn nu Europeser dan ze ooit zijn geweest. En het is nu juist Frankrijk dat aarzelt over de Europese eenwording.”

Frankrijk heeft nu zoveel angsten en interne problemen, zegt Grosser, dat het niet in staat is een heldere analyse en heldere keuzes te maken over de weg die het wil inslaan. En: “Men is er hier aan gewend alles aan de president over te laten, wat de discussie zeer heeft ingeperkt. Bovendien herleven de oude fronten. Chirac (de leider van de gaullisten, red.) heeft een anti-Europese koers gekozen. Een deel van de socialisten, onder wie de zeer nationalistische minister van defensie Chevenement, is eveneens anti-Europees. Veertig jaar geleden lagen de verhoudingen ook al zo.”

De verwarring, het gebrek aan 'Denkklarheit', signaleert Grosser op allerlei gebied, zoals op dat van het monetaire beleid. Frankrijk wil wel een gemeenschappelijke Europese munt, maar over de consequenties daarvan is het niet met zichzelf in het reine. Die gevolgen zijn dat de mogelijkheid om een eigen begrotingsbeleid te voeren aanzienlijk zullen worden beperkt en dat nationaal monetair beleid geheel zal verdwijnen. Er kan geen verschil zijn in de rente in Frankrijk en die in andere EG-landen.

En dan komt een dilemma in zicht dat Grosser met zichtbaar genoegen als volgt omschrijft: “In de jaren vijftig schreven Duitse kranten: de Fransen willen een Duits leger dat groter is dan dat van de Sovjet-Unie maar kleiner is dan het Franse. Nu kan men zeggen: de Fransen en ook de Nederlanders willen een Duitse economie die kleiner is dan de hunne, maar groter dan de Japanse. Want als we over Europa en Japan spreken, dan rekenen we Duitsland mee.”

Wat de toekomstige Europese veiligheid betreft, signaleert Grosser een heel ander gevaar dan een jaar geleden sommige Franse commentatoren wilden doen geloven. Grosser: “Uit een onderzoek van de Suddeutsche Zeitung blijkt dat de Duitsers in grote meerderheid het neutrale Zwitserland als voorbeeld zien. Driekwart van de Duitsers meent volgens dat onderzoek dat het land zich buiten militaire conflicten moet houden. Het Duitse militaire gevaar is nu dat er op een gegeven moment helemaal geen wapens meer in dat land zullen zijn.”

Dat leidt tot een nieuw dilemma. “Er kan alleen een Europese verdediging zijn als de Duitsers meedoen. Dat doen ze alleen als er een gemeenschappelijk Europees veiligheidsbeleid is. Een dergelijke Gemeenschap zal er pas zijn als Frankrijk ervan afziet puur nationaal te denken. En dat is soms ja en vaak nee. Zeer karakteristiek is de manier waarop Mitterrand het probleem van de Franse troepen in Duitsland heeft behandeld. Hij heeft, nog voordat de Duitse eenwording formeel een feit was, aangekondigd dat de Franse troepen uit Duitsland worden teruggetrokken. En hij maakte daarbij geen verschil tussen de Franse soldaten in Berlijn - dat waren bezettingstroepen in het kader van de vier-mogendhedenstatuut - en de Franse soldaten die sinds 1955 bij Freiburg zijn gelegerd, niet als bezettingstroepen, maar als bondgenoten. Anderzijds gaat Frankrijk voort met de gemeenschappelijke Frans-Duitse brigade.

Ook over de toekomstige rol van Frankrijk in de NAVO bestaat geen duidelijkheid, erkent Grosser. “Als het bondgenootschap blijft bestaan met een minder belangrijke rol voor de Verenigde Staten, dan zou men het voorstel van ex-Bondskanselier Schmidt moeten uitvoeren: benoem een Franse generaal tot opperbevelhebber van de NAVO. Dat zou niet onlogisch zijn, al was het maar om Frankrijk aan zich te binden. Over de omvang van de militaire betrokkenheid van de Verenigde Staten in de NAVO en dus in Europa kan worden onderhandeld, maar dan moet Frankrijk meedoen.”

Waartoe de Franse nucleaire wapens in de toekomst moeten dienen, vindt Grosser een zeer moeilijk te beantwoorden vraag. “In de wereldpolitiek stelt de Franse nucleaire macht zeer weinig voor. Maar in Europa moet de nucleaire afschrikking gehandhaafd blijven gezien de nucleaire macht van de Sovjet-Unie. De Franse strategische wapens die door onderzeeers kunnen worden gelanceerd, maken deel uit van deze afschrikking, zoals de NAVO in 1974 heeft erkend. En bij een sterker Europa behoren ook deze nucleaire wapens. De Franse kortere-drachtwapens dienen nergens meer voor. De Pluton kon de DDR bereiken en de Hades die aanvankelijk niet gebouwd zou worden, komt niet verder dan Polen. Dat is absurd.”

Als overtuigd Europeaan hamert Grosser op de keuze die Frankrijk niet kan ontlopen: voor een verenigd Europa met Duitsland en liefst - zoals hij onlangs schreef in Ouest-France, het grootste Franse dagblad - “zonder zelfverheerlijking, zonder bitterheid niet meer te kunnen domineren en zonder de weigering om de aspiraties van anderen, groot of klein, te begrijpen.”