Hora est, mevrouw

Geachte promovenda. 100 Jaar promoverende vrouwen aan de Universiteit van Amsterdam

door Mariuccia Baranelli e.a.

187 blz., geill., SUA 1990, f 32, 50

ISBN 90 6222 202 1

'Lieve Cornelia, het is voor je familie erg vervelend geweest, dat je voor medicus ging studeeren, maar nu je nog een publicatie doet over de urine van de zuigeling, nou wordt het toch helemaal te bont!'

Aldus een oom in een brief aan de in brede kring geroemde Amsterdamse kinderarts dr. Cornelia de Lange, die in 1897 de tweede promoverende vrouw was van de Universiteit van Amsterdam. De wijze waarop oomlief, zelf arts, zijn nichtje stimuleerde, was tot betrekkelijk kort geleden niet uitzonderlijk. Dat wordt wel duidelijk uit Geachte promovenda, een boekje met onder meer een lijst van alle aan de Amsterdamse universiteit gedoctoreerde vrouwen, inclusief discipline en proefschrifttitel. De aanleiding tot deze uitgave was het feit dat honderd jaar geleden, in 1890, voor het eerst een vrouw promoveerde in Amsterdam: Marie du Saar. De eerste vrouwelijke doctor van Nederland was Aletta Jacobs, die in 1879 in Groningen haar proefschrift verdedigde, net als Du Saar en De Lange in de geneeskunde.

Op basis van een enquete en interviews met gepromoveerden onderscheiden de schrijfsters van Geachte promovenda drie generaties: de 'pioniers' (tot midden jaren dertig), de 'onzichtbaren' (tot 1965) en de 'strategische generatie' van nu. Deze drie verschillen vooral in mogelijkheden en wensen aangaande het combineren van beroep en huiselijk leven. De eerste generatie, met zijn volstrekte toewijding aan het vak, vind ik eerlijk gezegd de leukste; de tweede zou je kunnen typeren als die van het stille treuren en de laatste schippert tussen strijden en zeuren.

Voor de pioniers is het verschil tussen Du Saar en De Lange typerend. Du Saar zag wegens haar huwelijk, twee jaar na haar promotie, af van een verdere wetenschappelijke carriere. De Lange, adjunct-directeur van het Emma Kinderziekenhuis en in 1927 bovendien als tweede Nederlandse tot hoogleraar benoemd, woonde samen met een vriendin.

Geleerde vrouwen van toen eisten het recht op een wetenschappelijke baan als alternatief voor het huwelijk. Het combineren van werk en gezin was ondenkbaar: “ Niemand kan twee heeren dienen”, luidde de stelling van een hooggeleerde mannelijk psychiater in een debat over de vrouwelijke geleerdheid.

Twee heren dienen was er ook voor de volgende generatie niet bij. De jaren vijftig waren berucht: het was de tijd waarin huwende ambtenaressen werden ontslagen en de gezinsideologie zijn toppunt bereikte. De jaren ook waarin het 'vrouwenoverschot' was afgenomen en 'alle meisjes' huwden. Dat deden ze helaas zonder de consequenties daarvan in te calculeren. Vrouwen kregen toen vaker de kans om te studeren, maar met hun trouwen was alles voorbij.

Zo had Mevrouw dr. T. de Vries-Stienstra (geboren in 1921) willen leven als Marie Curie, maar met haar handtekening onder de huwelijksakte zette ze, drie weken na het verkrijgen van haar doctoraat in de wis- en natuurkunde, tevens een streep onder haar loopbaan. Ze vertelt in dit boek dat ze haar tranen wegslikte wanneer ze haar man naar zijn werk zag gaan terwijl zijzelf thuis moest blijven. Een enkele gehuwde vrouw uit die generatie hield haar baan wel, maar altijd onder het strikte beding dat het gezin niet mocht lijden onder moeders 'hobby'. Een Amsterdamse hoogleraar die toen bleef werken verklaart: “ Mijn man vond het goed. Hij zei: 'Als ik het maar niet merk.' “

Een dergelijke luxe is de echtgenoten van de 'strategische' derde generatie niet meer vergund. Vrouwen van nu willen alles, zoals mannen dat ook altijd hebben gehad. Zij hebben het voor de wetenschap niet meer over om af te zien van een huiselijk leven met eventueel man en kinderen, en ze willen omgekeerd niet omwille van hun gezin hun andere talenten verspillen. Deze generatie stelt eisen, aan de partners zowel als aan het werk. Ingewilligd zijn die nog niet en dat leidt ertoe dat veel vrouwen uit deze generatie, die weten- en moederschap combineren, zich overbelast voelen.

De in Geachte promovenda opgenomen cijfers en statistieken onderstrepen de verdeling in drie generaties. Sinds Marie du Saar promoveerden er in Amsterdam zevenhonderdvijftig vrouwen. Daartegenover stonden bijna tien maal zoveel mannen. In de jaren tachtig was, hoewel er momenteel voor het eerst evenveel vrouwen studeren als mannen, nog slechts veertien procent van het aantal gepromoveerden van het vrouwelijk geslacht. Maar het ergste is wel, als je de afgelopen honderd jaar bekijkt, dat we met die veertien procent maar net het niveau van zeventig jaar geleden halen.

De eerste feministische golf eindigde ongeveer met het verkrijgen van het kiesrecht in 1919 (Aletta Jacobs mocht dus pas veertig jaar nadat zij haar doctoraat behaalde stemmen). Toendertijd steeg het aantal gepromoveerde dames snel: van twee in de jaren negentig van de vorige eeuw tot achtenzestig tussen 1910 en 1919. Daarna bleef tot ongeveer de Tweede Wereldoorlog het vrouwelijk aandeel van het totaal aantal promovendi stabiel rond dertien procent.

In de jaren van de 'onzichtbare generatie' daalde het percentage vrouwelijke promovendi, totdat in het tijdvak 1960-1969 met zes procent een treurig dieptepunt werd bereikt. In de jaren zestig promoveerden er ook in absolute aantallen minder vrouwen dan vijftig jaar voordien, terwijl het aantal promoverende mannen welhaast was verdubbeld. Pas na 1970 gingen aantal en aandeel van vrouwen weer omhoog. In de jaren vijftig en zestig gingen weliswaar steeds meer meisjes studeren, maar ze maakten hun studie steeds minder af. “ Het huwelijk is gevaarlijk voor de vrouw, “ schreef Simone de Beauvoir al.

    • Jolande Withuis