Hollands Dagboek

Beeldend kunstenaar Tiong Ang (29) reisde op uitnodiging van de vakgroep Antropologie van de Vrije Universtiteit naar het zuiden van Senegal om daar, naar zijn eigen zeggen, 'niets te doen'. In het dorp Nioumouh verblijft hij bij de Diola-stam.

DONDERDAG

Gisteren is er weer iemand doodgegaan in het dorp. Een jonge vrouw uit Some, de wijk aan de rivier. Iedereen uit het dorp komt naar de doodswake om te zingen, al het werk wordt neergelegd. Vanochtend was er ook nog een soort dodenherdenking, op het kleine begraafplaatsje aan de rand van onze wijk. De zwarte pater had de graven besprenkeld en gezegend, naast de kleine houten kruisen waren brandende kaarsen in het zand gestoken. De mensen stonden er in devote houdingen tussen. Een graf viel erg op, groot en van steen, als een echt christelijk graf. Hoewel de meeste mensen op het eiland gekerstend zijn leven de oeroude rituelen voort. Het lijkt er zelfs meer op dat het katholicisme is geintegreerd in de animistische religie - niet omgekeerd! De kerk als een extra groot fetisj erbij, naast de vele die men al heeft om het onheil af te wenden.

Wanneer we de eerste keer gaan kijken, zitten er nog maar een paar vrouwen te wachten bij het in lappen gewikkelde lichaam. De stilte wordt niet gedicteerd door christelijke contemplatie maar is ingegeven door een grenzeloos ontzag voor de voorvaderlijke tradities. Wanneer we later terugkomen is het zingen juist afgelopen en zien we het lijk door twee mannen weggedragen worden. De begrafenis zelf, dicht bij het worstelveld, is sober en louter een mannenkwestie. Het typeert Afrika. Een man graaft het graf, een kuil in het zand, twintig anderen kijken werkeloos toe. We wachten niet tot het gedaan is.

Omdat niemand heeft kunnen vissen eten we die avond rijstepap in apebroodsaus. Ik krijg het haast niet door mijn keel en ook de anderen lepelen zwijgend en gelaten kleine hapjes naar binnen.

VRIJDAG

De tijd vervliegt als lauwe petroleum die uit onze lamp lekt. Het is bijna zinloos elke dag in Nioumouh apart te beschrijven, een volgorde van gebeurtenissen vast te houden. De Diola leven zonder geld, dus ook zonder tijd. De moderne beschaving is een ingekleurde foto. 's Ochtends, als we de was doen bij de poel, komen kleine meisjes ons enthousiast helpen. Niets leukers dan 'toebabs' kijken. We laten ze begaan als ze keer op keer water gaan halen in de paarse teilen die we van Soso geleend hebben. Als het werk gedaan is willen ze allemaal iets dragen, de teilen met wasgoed, de emmer, de zeep, alles op het hoofd. Wij hoeven slechts het zweet van ons voorhoofd te vegen. Koloniale ontdekkingsreizigers en hun dragers.

's Middags naar de bouwplaats van Daniel Diatta om te kijken naar zwetende, zand scheppende mannen. Een oud huis is vorige week gesloopt en men effent de grond voor de bouw van Diatta's nieuwe huis. Omdat mijn ontwerp voor het huis van Pierrot zo'n hit is, zijn allerlei mensen op me af gekomen of ik ook voor hen wil ontwerpen. Ze bewonderen vooral mijn 'keurige' tekeningen op schaal. (Zelf kunnen ze geen rechte lijn op papier krijgen.) Het is dankbaar werk, ik krijg het gevoel iets voor de mensen te kunnen betekenen in plaats van hen alleen vanaf een afstand te observeren. De ontwerpen worden altijd met zoveel mogelijk omstanders besproken, waarbij het papier hard betast en bevuild wordt, om alle variaties aan te wijzen. Het is een heel elementair soort architectuur dat ik bedrijf, maar toch: Huizen voor de mensen, ze komen er te staan. (Hutten van leem met een dak van stro. De meeste mensen kiezen tegenwoordig voor een dak van zink. Sterk en status.) Wanneer de mannen uitrusten gaat de fles palmwijn rond. De vrouwen staan erbij en lachen en roepen dat de mannen niet moeten drinken maar harder moeten werken.

ZATERDAG

Gisteren was Soso al in een slecht humeur en vandaag is ze nog niet bekomen. Bij het opscheppen van het avondeten hield ze een hele scheldtirade tegen Martin die net deed alsof ze er niet was en in het Frans onbenullige dingen tegen ons begon te zeggen. De kunst van het ruziemaken is hier niet ontwikkeld. Soso bleef klagen en schelden, ook vanuit het bed waar ze vroeg in gekropen was. We vermoeden dat ze Martin van vergaande luiheid beschuldigt, want zijn activiteiten vallen in het niet bij de hare. Soso is de hele dag in de weer met water halen, rijst pellen, koken, de was doen en het kind verzorgen. Martin lag gisteren de halve dag te slapen op zijn koeievel.

Vriendinnen kwamen langs en Soso stond weer op om haar beklag te doen. Tot mijn verbazing werd Martin erbij geroepen en hoorde ik de vrouwen hem, de dorpschef, streng toespreken. En inderdaad, vandaag doet hij al heel wat meer zijn best in het huishouden, hij brengt etensschalen naar buiten, voedt de varkens en is heel vroeg opgestaan om te vissen voor het middageten.

Ik voel me wat zwaar, verveeld, misnoegd. Steeds dat idee dat ik mijn tijd aan het verdoen ben. Ik begin te denken dat Soso lijdt onder die verstikkende routine van het dorpsleven, het moeten leiden van een in onwrikbare normen vastgelegd bestaan. Het leven voedt haar en biedt onderdak, maar is er iets anders naast het zweet, het gestamp en gesjouw, die trage, modderige stroom van monotonie. En waarom geeft Martin haar nooit eens een knuffel of een zoen?

's Avonds introduceer ik boter-kaas-en-eieren bij de jongens die komen theedrinken. We spelen urenlang, met stokjes in het zand, bij het licht van de petroleumlamp. Is dit abstracte, mathematische denken de mensen vreemd, vraag ik me af. Voor Martin in ieder geval wel, want hij verliest werkelijk elk potje. De wilde Afrikaan en diagrammatische tekensystemen. Vooroordelen.

ZONDAG

In de verte luiden de klokken van de missie om de ochtenddienst aan te kondigen. Katie heeft in de nacht wel drie keer moeten poepen en zodra ik opsta voel ik ook vreselijke aandrang. Ik schiet in mijn kleren, ren over het erf van de buren naar de bosjes en laat opgelucht de groene brij in het zand vallen. Een vlotte beurt ontlaadt. Gisteren bijna depressief geworden door te veel na te denken over het lot van Afrika. Het begon me te zwaar, te tragisch, te uitzichtloos te worden. Soms denk ik dat het niet waar is, dat de mensen maar doen alsof, een antiek Afrikaans leven acteren. Vrouwen met teilen op het hoofd op weg naar de waterput, kilometers verderop, kinderen die zand in hun zweren smeren, een oude man die de poep van zijn koe met blote handen opraapt. Dingen die je na verloop van tijd al zo gewoon vindt. Het gevaar schuilt erin dat je alles alleen maar ziet als 'couleur-locale', grappige anekdotes voor het thuisfront. Een Afrikaan met een drol in zijn handen. Ik veeg mijn kont af met luchtpostpapier, een laatste houvast aan beschaafde gewoontes. Vliegen herinneren je eraan dat jij en je drol niet zo verschillend zijn als je zelf wel denkt.

's Avonds, zoals elke zondag, eten we bij pater Govers op de missie. Een missionaris van de oude slag, vergroeid aan zijn levenswerk een zelfgebouwde kerk in de bush. Zo'n vent die zich niet wenst aan te passen maar de omgeving aan hem laat aanpassen. Bij het zuigende licht van een gaslantaarn eten we vermicellisoep en zelfgeschoten vogels. De pater vertelt onophoudelijk sterke verhalen over krokodillen en drank. Een keer zijn we met hem mee op jacht geweest en prompt schoot-ie een aap uit de boom, vanuit een motorboot in volle vaart. Het beest werd vanuit de mangrove in de boot geworpen en stierf aan mijn voeten. De volgende dag stond-ie op het menu en het smaakte heerlijk. 'Zoals mensenvlees' grapte de pater.

MAANDAG

In de middag naar de wijk Ouback om te winkelen. De bar is de mooiste van het dorp met tekeningen aan de muur, een betonnen zitrand rondom en sigarettendozen bungelend aan het plafond als lampions. In de boutique, zo groot als een telefooncel, kopen we kaarsen, suiker en een rol koekjes. Met de verkoper roken we een sigaret, achterin de bar zitten vier vrouwen met een fles bier. Kinderen schuifelen zachtjes op het ritme van de muziek. Buiten raken we in gesprek met de mannen op de place public die tegen een heel grote boom liggen of hangen op hoge banken. Een jongen komt erbij zitten en we praten over politiek.

Het politieke systeem is een grote, frauduleuze bende, vindt men. De president houdt niet van zijn volk en land, hij verblijft te vaak op zijn landgoed op de Canarische eilanden. Het beleid is erop gericht om ontvangen ontwikkelingsgelden aan dure auto's en villa's voor de ministers te besteden. Democratie in Afrika bestaat niet, al wordt het woord vaak gebruikt. De economische situatie is zo slecht dat goed opgeleide jongeren, zoals deze Robert, in de stad geen werk kunnen vinden. Honderd monteurs op drie auto's waarvan de eigenaars een reparatie toch niet kunnen betalen. En de jongeren, zoekend naar een nieuwe, moderne, Afrikaanse indentiteit, keren dan maar terug naar hun dorpen. Daar is tenminste rijst van het land, er zwemmen vissen in het water. Maar ze praten niet meer over vissen of rijst, de jongeren van Afrika willen sparen voor een cassetterecorder, van geel plastic met een Japans woord erop, voor spiegelende zonnebrillen. En terwijl het eenvoudige geluk nog bestaat bij de oude mensen, rennend achter hun rund, op krabbenjacht met de harpoen, prevelend bij de fetisj, sijpelt de moderne wereld het Afrikaanse dorp binnen. En de onwetendheid maakt eerst plaats voor een besef van armzaligheid, daarna voor onmacht en frustratie. Een paradijs is het nooit geweest, maar wat als met het wilde denken ook het geluk verschrompelt?

DINSDAG

Vandaag is het te warm om ook maar iets te doen. Ik moet weer denken aan onze eerste weken, toen we nog volledig in beslag werden genomen door de lichamelijke ongemakken, de muggen, de moutmoutvliegen, de stank, de hitte, de slapeloze nachten, badend in het zweet op vieze matrassen van keihard stro, vol kuilen en hobbels, mijn zachte lichaam, zo gewend aan het donsachtige bestaan van de beschaving tergend tot op het bot. Toen, in een trance van insomnia en diarree, vervloekten we dit dorp en haar achterlijke bewoners. Mensen die zogenaamd hun eenvoud bewaard hadden. Maar voor ons maakte die eenvoud hen dom, kortzichtig en conservatief. En na een paar dagen was dat hele romantische, exotische idee in duigen gevallen, dat hele belachelijke idee om een andere mentale staat te zoeken, dicht bij de essenties van het bestaan. Onzin vonden we het, het leven is hier zwaar, keihard, saai.

En nu kunnen we ons het poepen niet meer voorstellen zonder het bos, de vliegen, de vlinders, de ooghoogte van de varkens, die geduldig wachten tot we klaar zijn om dan luid smakkend onze groene stront op te vreten. Elke dag eten we rijst met vis uit een grote teil en de graten spugen we naar de beesten aan onze voeten; de poezen, de kippen, de eenden. De tijd heeft de pijn verzacht, de berusting verjaagt de muggen en de gedachten draaien niet meer in een cirkel rond het persoonlijke lijden. De geest verlost zich van het lichaam dat zeurt en jeukt. We hebben het ritme van de dorpelingen overgenomen, langzaam en ongelijnd, in die trage swing die de hitte voorschrijft. Langzaam komt het Afrikaanse geluk weer bovendrijven.

WOENSDAG

De hele dag fetisjes tekenen in Ouback, met uitvoerige uitleg van Robert Sambou. De paal met varkensschedels maakt dieven blind. In een speciale hut wordt palmwijn geofferd voor zieke kinderen, de kalebassen beschermen de mensen tegen het kwaad van anderen. Ik probeer me voor te stellen wat het voor een dorpeling betekent om zo langs al die gewijde plekken te lopen, levend onder het toeziend oog van de voorvaderen, nimmer met het eigen lot in handen. In dode dingen het leven zien, in levende dingen de dood herkennen. Van Roberts moeder krijgen we een kip. Voor in de braadpan.

Laat in de middag vraagt Martin of ik mee ga vissen. Met een andere jongen die een rieten korf draagt lopen we de verste rijstvelden in die ondergelopen zijn met water van de rivier. Over smalle dijkjes wordt het einde van de wereld bereikt, daar waar de pelikanen heersen. Met een brede zwaai gooit Martin het net uit dat zich in de lucht ontvouwt als een spinneweb voordat het het water raakt. Zwart van de modder wordt het net opgehaald en boven het droge uitgedropen. Ik help de naast de korf gevallen visjes oprapen, ze glippen en kronkelen uit mijn vingers. Martin maakt het net schoon, rangschikt de loden gewichtjes en herhaalt het ritueel nog vele keren. Tegen zonsondergang keren we terug met een korf vol vis, alsof we net boodschappen hebben gedaan. Martin stapt vrolijk voort. Hij fluit het worstelliedje, hollend achter een krab in de modder. En hij schreeuwt lekker naar zijn dorpsgenoten die krijsende varkens onder hun arm klemmen of aan hun geiten trekken, en die schreeuwen weer allerlei dingen terug. De woorden vervliegen over de rijstvelden; en het dorp, als het zich hult in duisternis, is vol leven. De mensen zijn hier volkomen op hun plaats.

Morgen gaan we naar het eiland Carabane om de schilder Malang Badji op te zoeken, ik leef in de illusie van produktieve stilstand. Het denken houdt immers nooit op.

    • Tiong Ang