Het sprookje van de monomythe

De held met de duizend gezichten

door Joseph Campbell

375 blz., geill., Contact, vert. Aris J. van Braam (The Hero with a Thousand Faces, 1949), f 49, 90

ISBN 90 254 6828 4

Er zijn uitgevers die plotseling op een goudmijn blijken te zitten. Dit overkwam enkele jaren geleden de Princeton University Press. Door televisie-interviews van de voormalige perschef van wijlen president Lyndon Johnson, Bill Moyers, met de als oud en eerbiedwaardig bekend staande Joseph Campbell schoot diens uit 1949 daterende The Hero with a Thousand Faces omhoog op de Amerikaanse bestsellerslijst, hoewel het boek op dat moment een vrij kwijnend bestaan leidde.

Wat in Amerika is gelukt, moet hier ook kunnen, was blijkbaar de gedachte van Uitgeverij Contact, die onlangs een Nederlandse vertaling liet verschijnen nadat de interviews met Campbell ook waren gebruikt voor een TELEAC-cursus met begeleidend boek over 'Mythen van de wereld'.

Goede boeken over het moeilijke maar fascinerende terrein van de mythe zijn inderdaad schaars en elke interessante benadering is dus welkom. In dit geval misschien des te meer, omdat volgens de ronkende achterflap Campbells boek al bij verschijnen “ meteen werd gezien als een standaardwerk met diepgaande consequenties voor tal van geesteswetenschappen”.

De held met de duizend gezichten bestaat uit twee delen, waarvan het eerste de carriere van 'de held' in de mythen en sprookjes van de hele wereld analyseert. Als belangrijkste methodisch hulpmiddel gebruikt Campbell het bekende boek van de Franse volkskundige Arnold van Gennep (van Lennep in deze editie!), Les rites de passage (1909), die heeft laten zien dat de belangrijkste overgangsriten in het leven, zoals geboorte, volwassenwording en dood, in drie onderdelen kunnen worden verdeeld. Eerst vindt een afscheid plaats van de oude status en een verwijdering uit de vertrouwde omgeving, dan volgt een tussenperiode met de voorbereiding op de nieuwe positie die vaak gepaard gaat met allerlei beproevingen en, ten slotte, gaat men als herboren over naar de nieuwe status.

PATROON

Campbell past dit schema toe op de mythe en vindt zo overal hetzelfde patroon, een 'monomythe' zoals hij dit uitdrukt, ook al heeft de held 'duizend gezichten'. Het lijdt inderdaad geen twijfel dat vele van de door hem behandelde mythen afspiegelingen zijn van initiatieriten die overal ter wereld vaak hetzelfde patroon vertonen. Een bekend voorbeeld, dat ook door Campbell wordt gebruikt, is de Griekse mythe van Theseus en Ariadne. Als de wrede koning van Creta, Minos, elk jaar een aantal jongeren opeist, gaat de Atheense koningszoon Theseus samen met een aantal leeftijdsgenoten, van wie enkele in travestie (een bekend motief in initiatieriten), op weg naar Creta. Daar weet hij in het labyrinth de Minotaurus, een kannibalistisch monster, te verslaan. Vervolgens kan hij ontsnappen met behulp van een kluwen wol, die hij had gekregen van de verliefde koningsdochter Ariadne. Bij zijn terugkeer pleegt zijn vader per vergissing zelfmoord en wordt Theseus koning.

De drieslag van Van Gennep is hier gemakkelijk herkenbaar: het afscheid van Athene, de tocht naar een ver eiland waar de held zich een man betoont en de verheffing naar een nieuwe status bij zijn terugkeer. Bovendien vinden we hier ook nog in de persoon van Ariadne, die door de ondankbare Theseus vrijwel meteen aan de kant is gezet, de helper, een vaste maar nog steeds wat mysterieuze figuur in veel mythen en sprookjes met initiatiemotieven. Het meest illustere voorbeeld daarvan is misschien nog de rol van de gelaarsde kat in het gelijknamige sprookje.

In bepaald opzicht doen deze analyses modern aan, omdat Campbell zich niet laat afleiden door allerlei incidentele voorvallen maar de structuur van de door hem bestudeerde mythen en legenden nauw in het oog houdt. Uiterst modern voert hij ook in zijn voorwoord een pleidooi voor een 'grammatica der symbolen'. Als we ons realiseren dat het zoeken naar zo'n 'grammatica' pas populair werd in de jaren zestig met het structuralisme van Claude Levi-Strauss en de vertalingen van Vladimir Propps boek over de morfologie van het sprookje, dan is het duidelijk dat Campbell in bepaald opzicht zijn tijd vooruit is geweest. Daarbij komt dat hij royaal citeert uit de wereldliteratuur zodat de lezer een breed scala aan mythen onder ogen krijgt.

Het eerste deel is, kortom, redelijk leesbaar, maar dat geldt niet voor het tweede deel, dat blijkens de titel over de scheppingscyclus schijnt te gaan. Hier laat Campbell zijn licht over 'macrokosmos' en 'microkosmos' schijnen, maar het blijft uiteindelijk onduidelijk wat hij nu precies bedoelt. Blijkbaar zijn individu en universum gedoemd in het niets te verdwijnen. Dat althans moet wel de boodschap zijn van de laatse paragraaf waar achtereenvolgens Maya-illustraties, Germaanse mythologie en de boodschap van Jezus inzake het einde der wereld zonder overgang worden geciteerd. Is dit alles dus niet bepaald helder, jammer genoeg moet ook het gehele boek als mislukt worden beschouwd, en wel om drie redenen.

Ten eerste wordt de lezer voortdurend geconfronteerd met een wollig, wat antroposofisch aandoend taalgebruik, zoals de stelling dat de “ mythe de geheime opening is waardoor de onuitputteijke energieen van de kosmos uitstromen in de culturele uitingen van de mens” of, misschien nog mooier, de idee dat de held en zijn uiteindelijke god moeten worden opgevat “ als de buitenkant en de binnenkant van een zichzelf weerspiegelend mysterie dat identiek is aan het mysterie van de zichtbare wereld”.

Vervolgens stoort het dat het boek zo'n opsommerige indruk maakt. Campbell rijgt alles aan elkaar wat hij wil gebruiken zonder dat hij rekening houdt met de tijd waarin zijn materiaal is geschreven of de cultuur waarin het is ontstaan. Finse epiek, Duitse sagen, Griekse mythen, Russische sprookjes, Christelijke heiligenlevens, Boeddhistische legenden - alles wordt zonder omhaal vermalen in de eenvormige brei van Campbells monomythe.

MEESTERWERK

Toch is het best mogelijk mythologie zo te behandelen dat de boodschap van de mythen duidelijk wordt zonder dat het eigene van een cultuur geheel verdwijnt. De geinteresseerde leek mag ik in dit verband wijzen op de door de Duitse uitgeverij Artemis uitgegeven inleiding Griechische Mythologie van Fritz Graf (tweede druk 1987), een meesterwerk in haar soort.

Het meest storend in De held met de duizend gezichten is echter de uiteindelijke uitleg van de mythen. De verandering die in primitieve riten optreedt is altijd van sociologische aard: de jongen wordt volwassen man of opperhoofd (koning etcetera), het meisje huwbaar. Dezelfde transformatie vindt ook plaats in de mythe, zoals Campbell nadrukkelijk opmerkt. Toch wil hij de mythe 'bij de tijd' laten en daarom psychologiseert hij de hele mythische overlevering. Volgens hem zijn mythologische figuren “ weloverwogen en opzettelijke verklaringen van bepaalde sprirituele principes, die in de loop van de menselijk geschiedenis even constant als het uiterlijk en het zenuwstelsel van het menselijk lichaam zijn gebleven”. Of we nu Neanderthaler, Noorman of een moderne yup zijn, we geloven blijkbaar nog steeds allemaal hetzelfde.

Deze a-historische aanpak wordt dan bovendien op een typisch Amerikaanse manier ingevuld. Want de universele spirituele principes blijken gereduceerd te kunnen worden tot het gezegde 'leef, als ware de dag aangebroken', een boodschap in zijn televisie-interviews verwoord als 'follow your bliss'. Met andere woorden, het gaat erom datgene te doen wat jijzelf leuk vindt, datgene te doen waardoor jij je 'happy' voelt.

BOODSCHAP

Deze individualistische boodschap paste precies bij Campbell die, zoals een onthullend in memoriam in de New York Review of Books heeft laten zien, er een zeer elitaire levensbeschouwing op na hield. Bovendien wisten zijn intimi dat hij regelmatig racistische en antisemitische opmerkingen maakte; zo prefereerde hij Jung boven Freud mede omdat de eerste geen jood was. Het feit dat Campbell zijn leven lang sleet aan een klein Liberal Arts College en zijn interviews pas na zijn dood werden uitgezonden, zal de reden zijn dat deze kanten van zijn persoonlijkheid pas zeer recent de aandacht hebben getrokken.

Campbells individualistische en materialistische boodschap paste natuurlijk uitstekend in de jaren dat Reagan de scepter zwaaide in het Witte Huis. Toch verklaart de tijdgeest niet helemaal zijn succes. Belangrijk lijkt mij ook het feit dat hij op het scherm overkwam als een 'grand old man', een type waaraan de Amerikanen veel meer behoefte lijken te hebben dan de Europeanen, zoals Dickens al opmerkte in zijn American Notes.

Daarnaast zal het van invloed zijn geweest bij dit verkoopsucces dat het slagen van de held ondanks, of dankzij, de beproevingen uitstekend past in de ervaring van de gemiddelde college-student. De Amerikaanse jeugd verkrijgt zijn opleiding vaak ver van huis, zonder OV-jaarkaart, en moet meestal allerlei baantjes aannemen om zijn opleiding te bekostigen. Het boek van Canpbell levert dus prachtige mogelijkheden tot identificatie op.

Een laatste punt: de Nederlandse vertaling vermeldt de oorspronkelijke titel niet correct en maakt geen gewag van het feit dat Campbell in 1987 is overleden. Zo is de service aan de lezer wel heel erg mager.

    • J. N. Bremmer