Geldstromen onder oorlogsdreiging

Tussen Reich en Empire. De economische betrekkingen van Nederland met zijn belangrijkste handelspartners: Duitsland, Groot-Brittannie en Belgie en de Nederlandse handelspolitiek, 1929-1936

door Hein Klemann

400 blz., Nederlands Economisch-Historisch Archief 1990 (NEHA-series III, nr. 12), f 49, 50 (NEHA-leden f 40)

Sinds vorig jaar Oostberlijners hun run op de Westduitse supermarkten begonnen, staat aan alle borreltafels ten westen van de Elbe vast dat het kapitalisme het communisme door gewoon hard werken heeft verslagen. In dat perspectief zijn alle boeken die het begin van de jaren dertig tot onderwerp hebben extra interessant geworden. Dat was immers de periode dat de uitkomst van de strijd tussen de -ismen in het nadeel van het kapitalisme leek beslecht. Na de geldontwaarding in Duitsland, de beurskrach van 1929 en de daarop volgende depressie in de hele Westerse wereld hadden alleen de allerhardste kaders van verstokte couponknippers nog vertrouwen in de overlevingskracht van het kapitalisme. Alleen stromingen als het (al dan niet nationaal) socialisme, fascisme en communisme leken maatschappelijke inspiratie en hoop op welvaart voor iedereen te bieden.

Het kan verkeren, maar parallellen in de geschiedenis zetten altijd aan tot denken. Destijds, toen het kapitalisme op sterven na dood leek, moest eerst het pond sterling, de belangrijkste reserve-valuta in de wereld, eraan geloven. Hoewel supermacht Groot-Brittannie als overwinnaar uit de eerste wereldoorlog te voorschijn was gekomen, daalde de waarde van het pond totdat in 1931 de gouden standaard moest worden verlaten. Nu is de dollar tot ongekende diepten gedaald nadat de Verenigde Staten de koude oorlog hebben gewonnen.

Een beschrijving van het monetaire beleid in de wereld in de jaren dertig, zoals in het recent verschenen Tussen Reich en Empire, de dissertatie van Hein Klemann over de economische betrekkingen van Nederland met zijn belangrijkste handelspartners in die tijd, is dan ook uitermate boeiend, want door de overeenkomsten met het huidige tijdsgewricht raakt de lezer bijna 'benieuwd naar de afloop.'

Toen was dat de Tweede Wereldoorlog. Volledig economisch herstel werd toen slechts mogelijk door de oorlogsdreiging en de daarmee gepaard gaande noodzaak zich te bewapenen en voorraden aan te leggen. Nu is het maar afwachten of atoomwapens inderdaad voorkomen dat handelsoorlogen overslaan van valutamarkt en onderhandelingstafel naar het echte slagveld. Zeker nu een dispuut over het eigendom van een als land vermomde groep olievelden meer dan een miljoen militairen met de vingers aan de trekker tegenover elkaar plaatst.

OVERSCHOTTEN

Nederlands positie was toen en nu bijna hetzelfde. Nu hebben we enorme overschotten op de betalingsbalans en potten we collectief onze besparingen op. Toen in 1931 's werelds grootste schuldenaar (Duitsland) zijn betalingen op kortlopende buitenlandse schulden stopzette, was Nederland na de Verenigde Staten Duitslands grootste schuldeiser.

Nu heeft een bedrijf als Nedlloyd te lijden van de harde gulden die de internationale concurrentie moeilijk maakt. Toen waren het de Rotterdamse havenbaronnen die als eerste ondernemers aandrongen op het verlaten van de gouden standaard, nadat Belgie dat had gedaan en de haven van Antwerpen veel goedkoper was geworden dan Rotterdam.

Wie Klemanns beschrijvingen van het beleid in de vroeg jaren dertig leest moet welhaast zo nu en dan even stokken en denken aan de berichten die nu de kranten vullen. Als geschiedenis leerzaam is, omdat ze leert het heden te relativeren, zou de periode 1929-1939 meer aandacht verdienen dan nu in Nederland het geval is.

In Klemanns beschrijvingen van monetaire en handelspolitieke ontwikkelingen vanaf 1929 is de komst van de Tweede Wereldoorlog voelbaar, al eindigt het boek in 1936. Juist dat plaats de beschreven individuen en hun daden als het ware tegen een achtergrond van Hollandse luchten vol dreigende wolken. Een meer geladen sfeer kan een boek over geld- en goederenstromen haast niet hebben.

Conclusies zijn dan ook niet echt nodig en worden door Klemann slechts hier en daar door de tekst geweven. Beschrijving is in dit boek het doel. Natuurlijk blijft het interessant te proberen te verklaren waarom de Nederlandse economie in 1931 plots omsloeg van welvaart in armoede. Was het louter de invloed van de daling van het pond sterling, of moet zoals andere auteurs stellen de aanwas van het katholieke deel van de bevolking als belangrijkste oorzaak worden aangewezen? Was Colijn te laat met het loslaten van de gouden standaard? Had Keynesiaans overheidsbeleid toen (in Keynes jonge jaren) geholpen?

Belangstelling voor die vragen leeft weer op. Onlangs publiceerde De Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde, een aardige terugblik op een van haar erflaters: De Nederlandsche Vereeniging voor Waardevast Geld (die in de jaren dertig anders dan haar naam suggereert een devaluatie van de gulden bepleitte). The Economist publiceerde onlangs een deel van de briefwisseling tussen de voorzitters van de Amerikaanse Federal Reserve Board en de Bank of England in die periode. Toen werden de fundamenten gelegd voor het internationale monetaire overleg dat nu met zo'n grote regelmaat centrale bankiers in vliegtuigen doet plaatsnemen dat statistisch gezien bijna iedere vliegramp een monetair risico inhoudt.

SHV

Klemann plaats zijn beschrijvingen van wat in Nederland gebeurde in het internationale perspectief van onze belangrijkste handelspartners. Maar het blijft interessant hoe de verschillende belangen binnen Nederland met elkaar omgingen. Een mooi voorbeeld is het optreden van dr. F. H. Fentener van Vlissingen, de directeur van de Steenkolenhandelsvereniging (SHV), een onderneming die toen Nederlands grootste werkgever was, en voor vijftig procent eigendom was van het Rheinisch Westfalische Kohlensyndikat. De SHV was monopolist voor Duitse steenkool op de Nederlandse markt. Duitse steenkool overspoelde de Nederlandse markt tegen afbaakprijzen omdat de Duitsers op de afgeschermde thuismarkt hoge prijzen hieven om de export te subsidieren.

Daarop wilden de Nederlandse mijnen natuurlijk ook Nederlandse invoerbeperkende maatregelen. Maar Fentener wist de Nederlandse boeren voor zijn karretje te spannen. Die hadden te lijden van dalende boterexporten naar het verarmde Duitsland. Uit angst voor de boeren die niet meer binnen de wettelijke perken te houden zouden zijn, mocht er extra Duitse steenkool worden ingevoerd, om de Duitsers geld te geven voor invoer van meer Nederlandse boter. De belangen van de Nederlandse mijnen werden opgeofferd, met als een van de argumenten dat daar toch voor dertig procent buitenlanders werken.

Fentener is een van de weinige ondernemers die tussen alle politici en diplomaten even aan bod komen. En dat doet de lezer van Klemanns boek verlangen naar een studie over de houding van Nederlandse ondernemers in diezelfde periode. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft immers ook in die jaren moeizaam tussen Reich en Empire gelaveerd. Bedrijven als Koninklijke Olie en Unilever, afhankelijk van internationaal verkregen grondstoffen Angelsaksich opgezet, maar net als de havenbedrijven veelal op hun afzetmarkt, het Reich, gericht. Het waren die ondernemers die moesten leven van een afzetmarkt terwijl het Duitse nationaal inkomen in 1932 nominaal met eenentwintig procent daalde, de Duitse importen eenendertig procent terugliepen en de werkeloosheid in Duitsland tot in de winter van 1931-1932 vlak voor Hitler aan de macht kwam een record van eenendertig procent van de beroepsbevolking bereikte.

Geen wonder dat er toen mensen waren die dachten dat Nederlands traditionale positie als leverancier van Duitsland voorgoed voorbij was. De tijd heeft geleerd dat die mensen ongelijk hadden en Klemanns boek leert nog eens dat het politieke ingrepen in het handelsverkeer gevaarlijk zijn en dat politiek ingrijpen in de waarde van een munt - een punt van discussie bij de toenemende Europese monetaire eenheid - niet dan met het grootst mogelijke wantrouwen bekeken kan worden.

GERUCHT

Dat wantrouwen was destijds groter dan nu. En een steentje kan vreemd rollen: vlak voor prinsjesdag 1931 deed in Den Haag het gerucht de ronde dat een begroting zou worden ingediend met een gat van vijfenzeventig miljoen gulden (!). Zo'n begrotingstekort werd algemeen zeer kwalijk geacht. Een begroting, zo was de opvatting, moest sluiten, anders zou dat tot inflatie leiden. De geruchten over 'het gat' leidden tot paniek op de Amsterdamse effectenbeurs en de banken werden geconfronteerd met opvragingen van het publiek. De banken liquideerden sterling-tegoeden om geld in kas te hebben. Dat veroorzaakte in Londen weer een paniekerige sfeer.

Toen op 15 september een keurig evenwichtige begroting werd gepresenteerd, was het al te laat. In Londen had de paniek al te ver om zich heen gegrepen. Een week later deprecieerde het pond sterling! De Britse regering was van mening dat de schuld voor die ramp bij Nederland lag. Ook in de internationale pers kreeg Nederland de schuld. Eigenlijk zijn we pas tegenwoordig, nu zestig jaar later het Britse pond in het Europese monetaire stelsel verankerd is aan de huidige keiharde Duitse mark, dat stigma kwijt.

    • Paul Frentrop