Festschrift

Geschiedenis en Cultuur. Achttien opstellen.

door E. Jonker e.a. (red.)

244 blz., SDU 1990, f 35

ISBN 90 12 06860 9.

Het is een beruchte plaag in de academische wereld: het 'Festschrift' dat de vertrekkende hoogleraar krijgt aangeboden van zijn medewerkers. Met het naderend afscheid krijgen de medewerkers te kampen met een loodzware morele druk: ze kunnen een bijdrage eigenlijk niet weigeren. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden: men serveert een opgewarmd kliekje of men komt met iets origineels. Zo ontstaat meestal een onevenwichtige bundel zonder veel samenhang. Het voornaamste verband is doorgaans dat de meerderheid van de auteurs is benoemd door de vertrekkende hoogleraar en dat diens werk, waar het maar enigszins mogelijk is, wordt geciteerd.

De bundel Geschiedenis en Cultuur, verschenen ter gelegenheid van het afscheid van de Utrechtse hoogleraar in de cultuurgeschiedenis H. W. von der Dunk, is een Festschrift tegen wil en dank, schrijven de redacteuren in hun woord vooraf. Niet alleen omdat Von der Dunk de universiteit voortijdig heeft verlaten, maar vooral wegens hun bezwaren tegen het genre. Daarom hebben ze gepoogd zich zoveel mogelijk aan de ervoor geldende normen te onttrekken. Helemaal gelukt is dat natuurlijk niet. Ook dit Festschrift bevat een aantal opgewarmde prakjes, en de diversiteit van de onderwerpen is groot. Het bestuderen van oorspronkelijk bronnenmateriaal is kennelijk minder in trek bij de contribuianten, maar voor een bundel als deze is dat geen bezwaar.

De meest aansprekende, op bronnenstudie gebaseerde verhalen handelen over de jaren dertig en veertig. Met name het stuk over de bemoeienissen van de justitie met de Joodsche Raad (van Johannes Houwink ten Cate) is de moeite waard. Het sluit qua thematiek goed aan bij het artikel 'Eichmann in Jeruzalem', waarin Maarten van Rossem het gelijknamig verslag van het Eichmann-proces door Hannah Arendt vergelijkt met de reportages van Harry Mulisch en Abel Herzberg. Haar verslag was destijds aanleiding voor een heftige discussie, maar het is opvallend hoezeer haar visie op Eichmann overeenstemde met die van Mulisch en Herzberg. Essentieel daarin is de banaliteit van het kwaad. De gruwelijkheid van de aanklacht deed een monster verwachten, maar Herzberg schreef: “ Ontstellend werd het te moeten toegeven, dat de verdachte niets ontstellends vertoonde, maar juist de indruk maakte in niets af te wijken van het patroon van de gewone, om niet te zeggen de banale, man.” Mulisch schreef: “ Hij blijkt een mens: een wat groezelige, verkouden man met een bril op... wanneer men een leeg SS-uniform in de kooi zou neerzetten, een SS-pet er boven zwevend, zou men een verdachte van groter werkelijkheid hebben.” Mulisch, Herzberg en Arendt kwamen alledrie tot de conclusie dat Eichmann een onbenullige ambtenaar was, die het correct uitvoeren van bevelen als zijn belangrijkste levenstaak beschouwde. Die conclusie was controversieel omdat hij de nazi-misdaden beroofde van hun unieke karakter.

Heftige discussies ontbreken de laatste jaren in de Nederlandse geschiedschrijving. Dat wordt betreurd in de bijdrage van Ed Jonker, die het gebrek aan diepgaande controversen vooral wijt aan de culturele en politieke eensgezindheid van de naoorlogse historici. Die consensus, 'van liberale snit', ontneemt de geschiedschrijving veel van haar ideologische zeggingskracht, aldus Jonker.

Het meest brandende probleem waarmee de Nederlandse historici op het ogenblik worstelen, is de vraag waarom Schama en Le Roy Ladurie wel verkopen en zij niet. Waarom schrijven Nederlandse historici toch allemaal “ korte, specialistische stukken vol wetenschappelijke zekerheid en talloze voetnoten?” Leen Dorsman behandelt het veelbesproken probleem in een artikel zonder voetnoten, waarin hij betoogt dat de veronderstelde breuk tussen 'wetenschappelijke' en verhalende geschiedenis, tussen geschiedenis en literatuur, eigenlijk nooit heeft bestaan. De opvatting dat de geschiedschrijving gebruik maakt van wetenschappelijke methoden, maar vooral tot taak heeft door middel van een verhaal een beeld van het verleden te vormen, wordt onder historici althans in brede kring gedeeld. Maar het ontbreekt hun, aldus Dorsman, “ aan durf om de geschiedenis als epos te zien”. Hij spreekt de hoop uit dat de Nederlandse historici in de toekomst meer prachtige boeken zullen produceren en niet alleen essays. Mogen we ons daarbij aansluiten en hopen op meer veelgelezen prachtboeken, en minder feestbundels.

    • Luuc Kooijmans