Een gebrekkig pensioen na een flitsende loopbaan

Nederland vergrijst. Maar voordat iedereen van een onbezorgde oudedag kan genieten, moet er nog heel wat worden gesleuteld aan de pensioenen. Tenzij de politiek ingrijpt, blijft het huidige pensioenstelsel grote leemten vertonen.

Het valt misschien niet direct op, maar de Nederlandse samenleving is in feite al decennia lang aan het verouderen. Tussen 1957 en nu verdubbelde het aantal bejaarden van negenhonderdduizend tot 1.8 miljoen. De 'vergrijzing' van de nabije toekomst is alleen maar een voortzetting van die trend. In het jaar 2035 zal die haar hoogtepunt bereiken: dan zullen 3, 6 miljoen Nederlanders - zeventwintig procent van de bevolking - ouder dan 65 jaar zijn. Tegen die tijd zullen de meesten van hen vermoedelijk wel kunnen beschikken over een behoorlijk inkomen, dank zij een levenslange deelname aan een van de vele pensioenregelingen die vooral de afgelopen twintig jaar ontstonden. Maar voordat ook werkelijk iedereen van een welverdiende oude dag kan genieten, moet er nog heel wat aan het pensioenstelsel worden verbeterd, zo blijkt uit onderzoek van de Pensioenkamer.

Terwijl het afgelopen decennium in de SER een jarenlange discussie over de invoering van een algemene pensioenplicht zich voortsleepte, heeft de Pensioenkamer - een adviesorgaan van de minister van sociale zaken en werkgelegenheid dat begin jaren tachtig werd opgericht - een reeks van documenten geproduceerd die tezamen een redelijk nauwkeurig beeld geven van de kwaliteit van de Nederlandse pensioenvoorzieningen.

Welnu, daaraan ontbreekt nog veel. Hoewel de meeste bedrijven en instellingen sinds het eind van de jaren vijftig pensioenregelingen in het leven hebben geroepen, zijn er nog steeds grote aantallen werknemers zonder een goede oudedagsvoorziening. Van degenen die nu al met pensioen gaan, heeft slechts een kleine minderheid het ideaal - een pensioen van zeventig procent van het laatstverdiende loon - ook daadwerkelijk weten te bereiken. Bovendien werkt het stelsel nog steeds sterk ten nadele van vrouwen, terwijl het uiterst traag inspeelt op de belangrijkste trend van de jaren tachtig: de flexibilisering van de arbeid. Desondanks menen werkgevers en de meeste werknemersorganisatie, de FNV uitgezonderd, dat een algemene pensioenplicht die veel van de gebreken in een klap zou kunnen oplossen, overbodig is.

Eind 1987 waren er ruim drie miljoen deelnemers aan pensioenregelingen, ofwel 82 procent van de werkenden tussen 25 en 65 jaar (25 jaar is de toetredingsgrens, onder die leeftijd betaalt men geen premie en bouwt men geen rechten op). Van die drie miljoen werkte een derde bij overheid en semi-overheid, de rest in het particuliere bedrijfsleven. Het scala aan regelingen is bijkans onafzienbaar, vooral doordat er nog steeds vele duizenden kleine bedrijfs- en bedrijfstakpensioenfondsen zijn. In de meeste gevallen worden deze beheerd door verzekeringsmaatschappijen. De regelingen kennen ook stuk voor stuk weer andere bepalingen, hoewel ze in grote lijnen kunnen worden ondergebracht in twee systemen: het 'dienstjarensysteem' en het 'levensjarensysteem'. Bij de eerste begint de pensioenopbouw bij indiensttreding met als gevolg dat men bij iedere nieuwe baan weer opnieuw met die opbouw moet beginnen. Dit verschijnsel staat bekend als pensioenbreuk: het leidt tot een breuk in de pensioenopbouw. Bij het 'levensjarensysteem' speelt dit probleem niet. Daar begint de pensioenopbouw op het moment dat men begint te werken (en als gezegd 25 jaar oud is) en neemt de nieuwe werkgever de pensioenrechten over. Overigens kennen ook de meeste 'dienstjaren'-stelsels sinds enige tijd de mogelijkheid om de opgebouwde pensioenrechten mee te nemen naar nieuwe werkgever. Maar niet alle: in de toekomst zullen nog honderdduizenden mensen moeten ervaren dat hun flitsende carriere en hun veelvuldige verandering van baan hen na hun 65e geld gaat kosten, in de vorm van een lager pensioen.

Pag. 19: .

Volledig pensioen is een onbereikbaar ideaal; Vrouwen komen er op bijna alle fronten slechter af .

Een goed pensioen is vooral een kwestie van lange adem. Pas na vijfendertig tot veertig dienstjaren kan een werknemer de volle mep - zeventig procent van zijn laatstverdiende loon - toucheren. Echter, twee derde van alle pensioenregelingen is nog geen twintig jaar oud, terwijl niet meer dan zeven procent die veertig jaar overstijgt. Op dit moment zijn er dan ook nog maar weinig gepensioneerden die het pensioenideaal bereiken: naar schatting van de Pensioenkamer tussen de twintig en de dertig procent. Van de werknemers die nu nog jonger dan 65 zijn, zal uiteindelijk maar een op de drie het maximale aantal jaren halen. Pas tegen 2010 zal het huidige pensioenstelsel lang genoeg bestaan om vrijwel iedereen die kans te bieden.

Het gevolg is dat de inkomenspositie van gepensioneerden nog lange tijd uiterst mager zal blijven. Die positie is op dit moment bepaald niet om over naar huis te schrijven. De laatst beschikbare gegevens dateren van 1985; sindsdien is de situatie wel enigszins verbeterd. Aangezien dat nogal langzaam gaat, geven de desbetreffende cijfers toch nog wel een interessant beeld. Het gemiddelde aanvullend pensioen bedroeg in die tijd niet meer dan een kleine elfduizend gulden boven de AOW, zodat het gemiddelde jaarinkomen van het half miljoen Nederlanders tussen de 65 en 70 circa 23.000 gulden was. Pensioen blijft bovendien vooral voorbehouden aan de best betaalden. Tachtig procent van alle pensioenen komt terecht bij een kwart van de gepensioneerden. De overige driekwart moet het met de resterende twintig procent doen. In feite zijn negen van de tien gepensioneerden voor het overgrote deel van hun inkomen afhankelijk van de AOW. De helft heeft zelfs nauwelijks of geen extra inkomsten naast deze staats-oudedagsvoorziening.

Zoals gezegd: het zal nog jaren duren voor alle werknemers in staat zijn om het volle aantal dienstjaren te halen en zo een volledig pensioen op te bouwen. Maar dan nog moet er heel wat aan het huidige pensioenstelsel worden verbeterd om ook daadwerkelijk iedereen zijn of haar maximum te laten halen. In de eerste plaats is er het probleem van de 'witte vlek'.

Achttien procent van de werkenden boven de 25 jaar (650.000 mensen) valt helemaal niet in een pensioenregeling. Bij de grote bedrijven en instellingen is de oudedagsvoorziening wel geregeld, maar lager betaalden die werken bij kleine bedrijven in de zakelijke dienstverlening - advies- en uitzendbureaus, bewakingsdiensten, reinigingsbedrijven, handelsbedrijfjes - moeten het nogal eens zonder doen. Het gaat vaak om jonge bedrijven met een relatief grote bestaansonzekerheid die veel met flexibele arbeidskrachten werken. Vooral in hun beginjaren zien zij er van af een pensioenregeling te treffen omdat dit tot hogere personeelslasten leidt.

De kans is groot dat de omvang van deze leemte in het pensioenstelsel de laatste jaren weer toeneemt, hoewel niemand dat met zekerheid kan zeggen. Feit is in elk geval dat juist in de dienstverlening de dynamiek - wat betreft het ontstaan van nieuwe bedrijven en werkgelegenheid - het grootst is geweest, terwijl ook het aantal deeltijdwerkers en flexibele arbeidskrachten sterk groeide. De 'witte vlek' heeft mede daardoor ook een sterk discriminatoir karakter. Juist vrouwen komen immers vaak in die dienstverlenende sector terecht. Daar komt bij: het merendeel van haar werkt in deeltijd. Als er bij hun werkgever al een pensioenregeling is, worden ze daarin in veel gevallen niet eens opgenomen omdat ze te weinig uren werken. Op grond van dit soort factoren viel (nog steeds in 1985) dan ook meer dan een derde van alle werkende vrouwen niet in een pensioenregeling: in totaal 400.000. Bij de mannen was dat maar tien procent (250.000). Op pensioengebied zijn vrouwen op vrijwel alle fronten slechter af, zo lijkt het wel. Velen van haar zullen de veertig arbeidsjaren nooit halen omdat ze er een tijdje tussenuit gaan om kinderen te krijgen. Ze wisselen ook vaker van werkgever zodat ze naar verhouding meer te maken krijgen met pensioenbreuk. Bovendien kennen alle regelingen voor mannen een weduwenpensioen, terwijl een deel van de pensioenregelingen voor vrouwen nog steeds geen weduwnaarspensioen uitkeert.

Sinds mei 1990 moeten pensioenregelingen mannen en vrouwen in principe gelijk behandelen. Maar voorlopig geldt dat alleen voor vrouwen die na die datum in dienst zijn getreden. Ook het probleem van de minimum-urengrens is nog lang niet opgelost; slechts een enkel pensioenfonds heeft die laten vallen.

Als het aan de werkgevers- en de werknemersorganisaties (met uitzondering van de FNV) ligt, zal er tot in lengte van dagen een 'witte vlek' blijven bestaan. In het jongste SER-advies over de pensioenproblematiek waarvan de definitieve versie deze week verscheen, verzetten zij zich tegen een algemene pensioenplicht. Deze zou ook de 'witte' bedrijven dwingen om voor hun personeel een oudedagsvoorziening te treffen. De argumenten voor dit verzet zijn drieledig: in de eerste plaats zou zo'n plicht vooral voor jonge bedrijven, met een nog zwakke financiele positie, niet te dragen zijn. De sociale partners menen dat zij de laatste jaren op vrijwillige basis al veel hebben gedaan om de gaten in het pensioennetwerk te dichten. Het belangrijkste wapenfeit is de oprichting van de zogenoemde 'circuits van waarde-overdracht': samenwerkingsverbanden van pensioenfondsen die het de individuele werknemer mogelijk maken zijn pensioenaanspraken bij wisseling van baan naar een nieuwe werkgever over te hevelen. Het gevolg van deze ontwikkeling is dat nu meer dan driekwart van de werknemers geen last meer heeft van pensioenbreuk; een jaar of drie geleden was dat nog maar een kwart.

Het derde argument is er een van macht: werkgevers en werknemers beschouwen pensioenen als een onderdeel van de arbeidsvoorwaarden. De hoogte van premies en de kwaliteit van de regelingen maken sinds jaar en dag deel uit van de CAO-onderhandelingen. Een wettelijk geregelde plicht zou de onderhandelingsvrijheid dus inperken en daarvan willen de sociale partners niets weten. Tenzij de politiek ingrijpt, zullen de huidige leemten in het pensioenstelsel dus grotendeels overeind blijven. Er zal wel wat worden gesleuteld, maar 'witte vlek' en pensioenbreuk zullen nooit helemaal verdwijnen. Het is de vraag wat de Tweede Kamer met het SER-advies zal doen. Tot voor kort leek de Kamer nogal ontevreden over de verbeteringen die de sociale partners op vrijwillige basis hebben bereikt. Maar nu de economie tegenwind ondervindt, zou zij weleens kunnen gaan twijfelen aan de haalbaarheid van een algemene pensioenplicht. Die zou immers zeker leiden tot hogere lasten voor (een deel van) het bedrijfsleven. Een jaar geleden, toen de conjunctuur op haar hoogtepunt was, was de plicht wellicht door te drukken geweest. Nu vermoedelijk niet meer. Werkgevers en werknemers hebben de afgelopen decennia in wezen een politiek van uitstel gevoerd. Al in 1969 lag er een voorstel tot invoering van pensioenplicht. Dat haalde het niet, omdat er ruzie uitbrak over de wijze van uitvoering. Inmiddels is het pensioenstelsel zover uitgegroeid dat een pensioenplicht een behoorlijke aardverschuiving zou veroorzaken. Het ziet er dan ook naar uit dat de sociale partners hun doel - afstel van zo'n plicht - hebben bereikt.

    • Marcel Metze