Duitse deling

Nation ohne Haus. Deutschland 1945-1961

door Adolf M. Birke

540 blz., Siedler 1989, f 124, 45

ISBN 3 88680 052 0

De Duitse eenwording van oktober 1990 zal ongetwijfeld een nieuwe impuls geven aan onderzoek naar parallel verlopende ontwikkelingen in de veertigjarige geschiedenis van Bondsrepubliek en DDR en naar de Duits-Duitse beinvloeding en percepties sinds 1945. Birkes Nation ohne Haus, deel zes in de fraai uitgevoerde historische serie Die Deutschen und ihre Nation is onbedoeld een voorloper van de in dit verband te verwachten nieuwe stroom literatuur. Onbedoeld, omdat Birke zijn manuscript afsloot vlak voor de revolutionaire gebeurtenissen van najaar 1989. Vooral de parallelle aanpak van de geschiedenis van Bondsrepubliek en DDR in een studie - tot nog toe slechts zelden toegepast - maakt het boek aantrekkelijk. De kracht van het boek zit in de synthese van de grote hoeveelheid literatuur over het ontstaan van de beide Duitse staten en hun ontwikkeling tot de bouw van de Muur in 1961, na het oprichtingsjaar 1949 van Bondsrepubliek en DDR de tweede grote caesuur in de naoorlogse Duitse geschiedenis.

Birke maakt nog eens duidelijk dat de Duitse deling niet het gevolg was van een doelbewust besluit van de geallieerden, maar de uitkomst van een proces. Genuanceerd analyseert hij hoe ondanks de geallieerde afspraken van 1945 om Duitsland als eenheid te behandelen de politieke praktijk zich al snel in een andere richting ontwikkelde. Hoewel Birke geen expliciet antwoord geeft op de vraag of de deling zich als een onontkoombare ontwikkeling voltrok, is zijn boek te beschouwen als een overtuigend argument tegen diegenen die volhouden dat in de eerste naoorlogse jaren nog een alternatief denkbaar is geweest. Tegengestelde economische belangen tussen Oost en West, antagonistische ideologieen, de toekomsige machtsverhouding in Europa, de tijdens de oorlog slechts toegedekte maar nooit verdwenen negatieve wederzijdse percepties, het waren even zoveel obstakels voor uitvoering van de afspraak Duitsland als eenheid te behandelen. Al in de jaren 1945 en 1946 werden de eerste scheuren tussen het latere Oost- en West-Duitsland op politiek, economisch en maatschappelijk gebied duidelijk zichtbaar, een ontwikkeling die op zijn beurt de geallieerden verder uiteen dreef en het delingsproces mede zijn dynamiek gaf.

Bij de opbouw van Bondsrepubliek en DDR in de jaren vijftig en bij hun integratie in respectievelijk West en Oost zijn opnieuw wisselwerkingen en parallelle ontwikkelingen te constateren. Beide staten beklemtoonden hun streven naar eenheid, maar hun politiek was primair gericht op integratie in de onderscheiden invloedssferen, een proces dat voor beide in 1955 goeddeels was afgesloten. Overeenkomsten en wisselwerkingen signaleert Birke ook in het wankele evenwicht in de binnenlandse politieke situatie: Bondsrepubliek noch DDR rustte in de vroege jaren vijftig op een stabiel fundament. Maar zoals voor West-Duitsland het negatieve voorbeeld van de DDR in belangrijke mate bijdroeg aan de groeiende interne stabiliteit, zo had deze Duits-Duitse wisselwerking voor het SED-regime het omgekeerde resultaat. Slechts de noodgreep van de bouw van de Muur, zo merkt Birke terecht op, zou uiteindelijk tot stabiliteit leiden.

Het is jammer dat in het gedeelte over de jaren vijftig van Birkes overigens geslaagde studie de DDR er wat bekaaid af komt in vergelijking met de ruime aandacht die de Bondsrepubliek krijgt. In die lacune zal echter de komende jaren door de openstelling van DDR-archieven ongetwijfeld worden voorzien. Het door Birke helder geschetste beeld van de situatie in Duitsland van 1945 tot 1961 waarbij politieke stabiliteit en democratie in het Westen tegenover een structurele legitimiteitscrisis en repressie in het Oosten stond, zal daardoor nog meer relief kunnen krijgen.