DE VERWARRING; Bezwaarlijk verblijf in Beira

Eind 1989 maakte Adriaan van Dis een reis door Mozambique. Tweede verslag uit een verkwanseld land.

Adriaan van Dis 'I know who is fucking up this country', zegt Peter Gough de volgende avond na het opentrekken van een vierde fles Alles verloren. De tinto barroco koekt in zijn mondhoeken. Zijn hele lichaam ruikt naar wijn. Sinds ons bezoek aan het Grande Hotel drinkt hij 'om die grijns te vergeten'. Ik drink mee om mijn rugpijn te verzachten. Buckley's regime valt me zwaar. Vanmorgen om vijf uur vier kilometer strandloop, 'spieren strekken' noemt hij dat. Nu zijn mijn botten uit balans.

We liggen lui op de veranda en kijken naar de lichtjes van de Hollandse baggerboot die zijn lading modder buitengaats brengt. Buckley en Claus zijn naar de stad. Peter wordt vertrouwelijk in zijn dronkenschap. “ Ik ken deze plek blind. Kort na de onafhankelijkheid ben ik hier een paar keer op een missie geweest, maar dat het zo erg zou worden had ik niet verwacht.”

“Heb je hier gevochten?”

“Nee. Tolk. Special Branche, noem maar op. Als kind heb ik zo goed Shona geleerd dat als je me in een donker hol met vijf zwarten opsluit niemand kan horen dat ik een Europeaan ben. We infiltreerden bij de terroristen. Toen Portugal Mozambique aan het Frelimo gaf, kregen we in een keer een vijandig land naast ons. Schepen, vliegtuigen en treinen vol in Tanzania getrainde terroristen werden via Beira naar onze grens gebracht. Ik kwam meteen in aanmerking want ik spreek Portugees. Mijn grootouders van moederszijde komen ervandaan, mijn vader is een Ier. Hij dreef een winkeltje in Umtali, naast de Mozambikaanse grens. Nu Mutare.” Peter spuugt op de grond. “ Umtali klinkt toch veel mooier? Ik heb hier de prachtigste Russische tanks, T 54's, van de kade zien rijden. Wij gaven dat door aan de Rhodesian Air Force.” Hij trapt een lege fles van zich af en maakt het geluid van een bombarderende straaljager. In het schijnsel van de olielamp lijkt hij op een Portugees.

“Ik wou Beira nog eens zien. Het zal me een rotzorg zijn of ik hier een pot verf verkoop. We have been fucking up this country. I have been fucking up this country. Wij, de Rhodesiers.” Hij steekt zijn tong uit bij dat woord. “ En de Portugezen en de Zuidafrikanen.”

“Waarom ben je niet weggegaan?”

“Ik ben een nationalist en ik kwam op voor mijn land. Ik heb acht jaar in dienst gezeten, drie jaar in uniform en later bij de Geheime Dienst. Jongens die nu hoge pieten in Harare zijn heb ik eigenhandig gevangen genomen. Ik heb er ook een paar gedood. Spijt heeft geen zin. Oorlog is oorlog.”

“En nu probeer je Zimbabweaan te zijn?”

“Proberen, proberen.” Peter gaat rechtop zitten, leunt voorover en ademt zwaar in mijn gezicht. Hij grijpt me bij mijn overhemd, wil met me op de vuist.

“Je bent toch Zimbabweaan?” vraag ik bedeesd.

“En nationalist. Ik ben verdomme Zimbabweaan, net als iedere klootzak met een paspoort en er zal nog een oorlog moeten komen voor ze mij het land uit krijgen.

“Luister. Ik was een verschrikkelijke racist, waarschijnlijk ben ik het nog, maar geef me de tijd. Het gaat wel over. Als kind leerde ik Shona van de winkelmeisjes, maar de Afrikanen hadden hun eigen plaats, ergens ver onder aan, en het kwam niet bij me op dat daar iets mis mee was. Mijn ouders hadden ook hun plaats, Mr en Mrs Average, we behoorden tot de middengroep, de massa. Niet tot de elektronen eromheen, de slimmeriken met hun liberale opvattingen die elke scheet van een zwarte lekker vonden ruiken. Wij waren thuis echte Rhodies.

“Tot 1978, twee jaar voor het einde van de oorlog, was er nog nooit een zwarte in mijn huis geweest, behalve onze meid. Op een dag bood ik in de krant mijn meubels te koop aan. Wie wilde er nog meubels in die tijd. De mensen lieten kisten timmeren, weekend na weekend hoorde je dat godgeklaagde getimmer. Daar gingen hun meubels in. Ze bereidden zich voor op een volksverhuizing. Er kwam maar een man op af, een zwarte. Hij had vijf kilometer gelopen, want in onze witte buurt stopte geen bus. 'Waarom wil je mijn stoelen? ' vroeg ik. 'Ik ga trouwen', zei hij. 'En je loopt vijf kilometer om naar die rommel te komen kijken? ' Hij keek zo verlegen naar onze stoelen. Groene plastic monsters, geerfd van mijn ouders, en naar ons dressoir, groter dan een negerhut. Ik wist dat we de oorlog zouden verliezen. De terroristen waren niet alleen goed bewapend, ze waren ook beter in de bush dan wij. Bij de Special Branche was ik onder de indruk gekomen van hun organisatie. Hele families wierpen zich in de strijd. Ze vochten voor de toekomst, wij voor iets uit het verleden. Daarom verkocht ik mijn meubels, ik wilde weg.

“Maar een stem in mij zei tegen die zwarte: 'Gaat u zitten, wilt u wat drinken? ' Mijn vrouw verliet van schrik de kamer. Ze is Engels en niet opgevoed om een zwarte in haar huis te ontvangen. We dronken bier. Staand tussen die stoelen. Hij durfde niet te gaan zitten. We zwegen. 'Er is hier niets te koop', zei ik toen, 'alles in dit huis blijft, die lelijke stoelen en ik ook.'

“Ik heb hem naar de halte gebracht en op de bus naar zijn township gezet. Ik hoor hier dacht ik, bij die man. Toen ik thuiskwam zat mijn vrouw in de keuken te huilen. Ze vond dat ik haar de kamer uit had gejaagd. Ze rilde van de schrik dat er een zwarte in haar kamer was geweest.

“Twee jaar later zei ik tegen onze meid, meid... de mevrouw die voor ons werkt voor een loon waarvoor ik nog geen kist zou optillen, ik vind het nog steeds moeilijk om 'mevrouw' te zeggen, zoals ik het nog steeds moeilijk vind om een zwarte man geen 'boy' te noemen... ik zei tegen onze meid: 'Ik wil je man eens ontmoeten.' Waarom? Zomaar, raar toch dat iemand die al jaren voor ons werkte een vreemde voor ons was. Een paar weken later kwam hij langs. Op een zaterdag. We gingen in de tuin zitten, naast het zwembad, en we dronken een Fanta. Uit een glas verdomme, ik dacht dat die zwarte anders zou denken dat ik gewoon wou doen omdat hij erbij was. De bel ging. Betrapt. Onverwacht bezoek, kennissen, verschrikkelijk conservatief. Donder op, witten, dacht ik. Ze kwamen binnen, zwaaiden naar me en durfden niet de tuin in te komen. Mijn vrouw kwam met thee de kamer binnen. Ik dacht: Als je die zwarte vent nu niet binnenvraagt, ga ik van je scheiden. Het was het belangrijkste moment in mijn huwelijk. Ze zette de kopjes op de salontafel en sneed de cake aan. Ik hoorde niet meer wat mijn gast zei, ik telde de plakken: een, twee, drie, en twee voor ons.

“'Peter', zei ze, 'kom je binnen theedrinken en neem je je vriend ook mee? ' De schat. God zij gedankt. Het was een pijnlijk kopje thee. De cake metselde onze kaken dicht. Niemand durfde een woord te zeggen. Mijn blanke kennissen waren geschokt. Ze hadden de oorlog verloren en hier zaten ze met hun vijand aan de thee. Ik vroeg waar hij gevochten had. Bleek dat ik hem bijna had doodgeschoten. Hij was verdomme een terrorist geweest, in de tijd dat zijn vrouw bij ons werkte. Nooit geweten of zelfs vermoed. Het werd een prachtige middag. Toen hij wegging zei hij: 'Ik ben blij dat onze kogels elkaar gemist hebben.' Het fijnste dat me ooit is overkomen is dat we de oorlog hebben verloren. Anders zou ik dit nooit ervaren hebben, me nooit bewust zijn van het feit dat ik een racist ben, was, eh... ben.”

Peter staat op, rekt zich uit en gooit een kurk op het tentzeil beneden in de tuin, waar onze kok gevluchte familieleden heeft ondergebracht. “ Ik vraag me weleens af of God dit continent niet vergeten is. Wat moet ik doen om die mensen te helpen? Ik voel me hier zo wit, zo hopeloos wit.

“Voor mijn werk moet ik vaak op reis. En zo sprak ik eens een Zuidafrikaanse minister. 'Als ik jullie nationale kranten lees, lijkt het wel of er niets aan de hand is', zei ik tegen hem. 'U kunt toch wel tussen de regels lezen', zei hij fijntjes. Ik ontplofte. Ik heb nooit geleerd tussen de regels te lezen en al die gehersenspoelde witte stakkers ook niet. De Mashona zeggen niet voor niets: 'The white men are the father of lies.' Ze zijn door Cecil Rhodes besodemieterd, De Klerk zal ze besodemieteren, de blanken zullen nooit het goud en de grond uit handen geven. Ze zullen altijd slaven blijven, alleen in een oorlog kunnen ze hun trots herwinnen.”

Peter is in de war, vloekt binnensmonds en excuseert zich. “ De nacht van de onafhankelijkheid van 17 op 18 april 1980 hing er een angstige stilte over het land. Je voelde het. Die avond zei Mugabe op de televisie, na twintig jaar vechten: 'We willen dat jullie blijven, alsjeblieft blijf.' Ik was bij vrienden, ze brulden het uit: 'Propaganda. Deze man zal mijn vrouw verkrachten.' Het was een zwijn. Twintig keer erger dan Hitler. Wat wisten ze van hem? Hij leidde een terroristenleger in Mozambique. Joshua Nkomo was een giller, een dikzak die door niemand serieus werd genomen. Mugabe was de duivel, at elke dag een gebraden baby voor zijn ontbijt. We geloofden dat, het stond zwart op wit in de krant. Vroeger dacht ik dat een kaffer te dom was voor argumenten, maar die Mugabe is slimmer dan jij en ik. We moeten ons aanpassen, elke dag weer. De vrouw van een collega was in de oorlog pro zwart. Ze kwam toen een keer bij mij op de zaak en ik walgde zo van die koe, dat kafferlikkende secreet, dat ik na haar vertrek kokhalzend de ramen moest openen om haar aanwezigheid uit te luchten. Uitgekakt door de blanke gemeenschap had ze al haar hoop op de zwarten gevestigd. Een paar jaar geleden zei ze: 'Ik ben voor waardigheid, gelijke rechten en een man-een stem, maar niet voor incompetentie aan de macht.' Ze heeft alsnog haar kist laten timmeren. Ik ben nu verder dan zij.

“Europa heeft makkelijk praten. Jullie hebben alleen niet zoveel de kans om je tegenover zwarten te misdragen. Als ik met zwarte collega's voor zaken naar Frankrijk moet, vragen ze: 'Peter, kom alsjeblieft mee naar de supermarkt, anders worden we zo achtervolgd door de bewakingsdienst. Ze denken hier dat alle zwarten stelen. Jij geeft ons meer aanzien, als jij meegaat voelen we ons vrij'.”

Het is bijna middernacht. Een koele zeewind heeft onze dronken schap gedempt, maar Peters hand trilt als hij mij het Zuiderkruis aanwijst: “ Een vlieger zonder latjes. Als kind verbeeldde ik me hem naar me toe te kunnen halen, maar het is andersom. Ik zit aan het Zuiderkruis vast. Zonder die vier lichtjes ben ik verloren.”

Claus en Buckley zijn al binnen. Ze hebben dozen diepgevroren garnalen in de gang gezet en Buckley wikkelt ze in oude kranten om ze voor de terugtocht koel te houden. Claus wijst naar de vette koppen. De Diario de Mocambique en de Noticias wedijveren in optimisme. 'President Chissano prijst leergierige jeugd.' 'Economie Mozambique in stijgende lijn.' 'Dynamische ontwikkelingen in de bosbouw.' “ Maar niemand durft het bos in”, schampert Claus.

Ik deel de kamer met Buckley, hij veegt borstelt en vouwt. Sokken in een knolletje, broek onder het matras. Hij vult zijn zakken en zet een nieuw petje naast de reiswekker. Morgen om zes uur vertrekken ze. Ik wil van hier per boot naar Maputo.

Als Buckley de kaars uitblaast, fluistert hij: “Pas op voor die Peter.”

“Hoezo?”

“Hij is een spion.”

“Hoe weet je dat?”

“Ik heb zijn zaken hier nagetrokken. 'Wave coatings' staat er op zijn visitekaartje. Bestaat helemaal niet. De BCA heeft het bevestigd.”

“Allemaal verleden tijd”, zeg ik verveeld.

“Hij werkt nu voor de Zuidafrikaanse veiligheidspolitie.” Buckley draait zich om en veinst een diepe slaap.

De zenuwen steken in mijn rug. Is het waar? Ben ik vertrouwelijk met Peter geweest? Wat hij me vertelde klonk zo oprecht. Of luisterde ik naar een oplichter in tweestrijd? De zoveelste ambivalente avonturier. Ik geloof het niet. Maar ik durf het hem ook niet te vragen.

De strandloop laat ik aan me voorbijgaan. Als de heren hijgend terugkomen zit ik geirriteerd met rederijen te bellen. Boot? Maputo? Ik word met krakende stiltes doorverbonden.

“YCHA”, zegt Buckley, “ you can't hurry Africa.”

Om acht uur zwem ik tussen de vissers die hun netten binnenhalen. Ze trekken en joelen, maar er valt alleen een handje spieringen uit. Walvissen uit de school van het socialisme, volgens Claus. Als ik meehelp de zware netten op te rollen voel ik een steek in mijn rug. Ik kan niet meer lopen of staan. Voorzichtig laat ik me op mijn knieen zakken en kruip het water uit. De vissers dragen me naar de villa. Het onbehagen heeft zich in mijn rug genesteld.

Een paar uur later lig ik op de twaalfde verdieping van Hotel Mozambique. Hoog boven de muskieten, met uitzicht op de blauwe lucht en als ik mijn hoofd optil, op een randje stad. De kok en zijn familie hebben me hiernaartoe gebracht, het huis moet leeg zijn voor een groep luchtmachtofficieren. Ze hebben me wat blikvoer en een emmer meegegeven, de Franse dokter is gebeld. “ Adeus, couragem!”

Valium maakt alles mooier. De gele plekken op de zoldering, het slijmspoor van de kakkerlakken en de laag stof op het water in mijn emmer. In het vuil zie ik landen en rivieren, tot om zeven uur de zon ondergaat. Dan blijft het donker. Het licht op de kamer en de gang doet het niet. In de stad gloeit een enkele pit. Ik luister naar het geslof op de trappen en het geklots van emmers water. Buiten pompt een generator. Alleen de disco krijgt vanavond licht.

Waar blijft de Franse dokter?

“Dottore, dottore”, roep ik als ik stappen op de gang hoor. Kamermeisjes schrikken van mijn stem en mijden de donkere kamer waar een man als een tor op zijn rug ligt.

Twee dagen sluimer ik met de zon en waak ik met de sterren. Tot het gerucht zich verspreidt, dan komt Beira naar mij.

De liftboy, die toch maar zit, haalt eten bij Johnny's aan de overkant, want de hoteldirecteur zegt op elke bestelling 'nao ha problema', alleen, er komt nooit wat, omdat het er niet is. Zijn service is een lach.

De geldwisselaar uit de hal wil me koppelen aan een 'saubere Frau'. Zijn oom is minister van bank en hij leerde voor ingenieur in Oost-Berlijn, maar hij zingt de lof van het westelijk deel waar hij nooit was. “ Gut, mit Brot und Wurst, und Salamander Schuhe.” En als ik dan geen vrouw wil, weet ik dan geen baan in Holland?

“Je land heeft je nodig”, zeg ik. “ De Schwarzen kunnen niets”, zegt hij, “ ik houd van witte mensen.”

En ook de kamermeisjes overwinnen hun schroom. Ik krijg meer water dan ik drinken kan en drie keer per dag een schone gele handdoek.

De taxichauffeur brengt 's morgens een krant. Ik weet nu welke Russische en Cubaanse films er in Maputo draaien en ik leer Portugees uit de advertenties: “ Wij delen onze geachte clientele mede dat er geen zilverpapier meer is en dat onze sigaretten in gewoon papier zijn verpakt.” Na vijf dagen begrijp ik uit de krant dat de Mozambikaanse bisschoppen in Nairobi met de bandieten praten. Ik lees het voor maar de chauffeur begrijpt mijn uitspraak niet en zoveel letters kan hij nog niet lezen. “ Vrede? ”, vraag ik. “ Matsanga-Frelimo vrede, vrede?” De chauffeur wijst gelukzalig naar het noorden. “ Vroeger reed ik naar Maputo, misschien kan het binnenkort weer.”

De Franse dokter komt niet opdagen. Elke dag vraag ik iedereen die zijn hoofd om de deur steekt: “ Dottore, dottore? ”, en uiteindelijk komt er een, statig, grijs, in een vergeeld linnen pak met twee opgenaaide lapjes op zijn zwarte schoenen. Zomaar aan het einde van de dag, een heer die een hoed draagt en die een lichte buiging voor me maakt. “ Signor Fonseica is mijn naam.” Hij is geen dokter maar dautor, of bijna, want hij leerde voor onderwijzer en de kamermeisjes noemen hem de knapste van de stad. Na de revolutie kreeg hij een hoge baan 'in het transport'. Dautor is zijn bijnaam.

Transport? Hoe kom ik in Maputo? Meneer Fonseica steekt een vinger in de lucht. De wegen zijn kapot, de rails naar Maputo zijn nooit gelegd en op vliegtuigen kan ik geen staat maken. Linhas Aereas de Mocambambique, LAM - “ Late and maybe”, zegt meneer Fonseica. “ Ylike Beira?” vraagt hij met een weids gebaar naar de vervallen stad.

“Mijn rug gaf me nog geen kans.”

“Dit was het Blackpool van Afrika”, zegt hij dromerig voor het raam. “ Marvelously continental, vonden de Rhodesiers het, Latijns, warm, kruidig, stout. Het is niet onze schuld dat u de stad zo aantreft. Vlak voor de onafhankelijkheid woonden hier honderdvijfentwintigduizend Portugezen, een maand later nog maar honderdachttien. Ze hebben alles meegenomen, gereedschap, machines, hele fabrieksinstallaties zijn moedwillig in puin geslagen, liften zijn onklaar gemaakt. Ze hebben hun vee gedood, tractors in zee gereden, alle voorraden ingescheept en ze zijn vertrokken.” Meneer Fonseica zucht. “ Er is nooit een beroep op ons verstand gedaan. We konden ook niets, nog geen tien procent van onze mensen kon lezen en schrijven.”

Meneer Fonseica slaat zijn jasje open. Zijn binnenzak scheurt haast uit van de pennen. “ Schrijven is heel belangrijk.” Hij keurt mijn vulpen en graait in mijn verzameling balpennen. De groene vindt hij het mooist. 'Wave coatings' staat erop. “ Voor u”, zeg ik. Zonder aarzeling steekt hij hem in zijn binnenzak. Als dank krijg ik de kameradenhand.

“Vroeger mocht ik dit hotel niet in. Nu zit ik hier met u te praten. Daar hebben we voor gevochten”, zegt hij als hij een slok uit de emmer neemt. “ Zelfs al was u Portugees, dan nog zou ik naast uw bed staan.”

“Was het hier dan net als in Zuid-Afrika?”

“Het is een mythe dat de Portugezen geen racisten waren. Ze waren arm ja, en slecht geschoold, eenvoudige plattelandslui, maar juist daarom waren we een veel grotere bedreiging voor ze. Ze hadden alleen maar hun witte vel. Op papier waren we allemaal Portugezen, al hadden wij een andere identiteitskaart en geen politieke macht. Alleen de assimilado's, de geciviliseerden, die beloofden hun primitieve familieleden niet meer te zien, die met vork en mes aten en die ook thuis Portugees spraken hadden alle rechten en plichten van een Portugees. Dat was het hoogste doel. Maar nog geen een procent van mijn zwarte mensen had die status bereikt. Ik ben zelf een assimilado”, zegt hij verontschuldigend, “ derde generatie.”

“En heeft u die voorrechten moeten opgeven?”

“Ik heb jaren beweerd dat Lissabon de hoofdstad van mijn land was. Als jongen vond ik de fado mooier dan het lied van de vrouwen op het veld. Alles wat wit was bewonderde ik. Maar we hoorden er niet bij, wij waren tweederangs Portugezen. Na de onafhankelijkheid heb ik die mentaliteit weggegooid. Het salaris trouwens ook.”

“En gaat het nu beter?”

“We doen ons best. De scholen en de ziekenhuizen zijn vol, maar gratis. De armen hebben het hier beter dan elders. Iedere maand een paar eieren en elke dag een brood tegen een betaalbare prijs. De winkels zijn leeg maar niemand drukt zijn neus tegen de ruit om naar dingen te kijken die hij niet kan kopen.”

Meneer Fonseica jubelt niet. Te weinig wensen zijn vervuld, de leiders vindt hij arrogant, zonder schaamte somt hij de fouten van zijn land op. Hij is boos op de partij, net als de taxichauffeur, de directeur en de geldwisselaar. Zelfkritiek is hier een cultus. Behalve bij de kamermeisjes die zo trots op hun land zijn dat ze bij het bedverschonen driestemmig het volkslied voor me zingen.

“We moeten nog veel leren”, zegt meneer Fonseica. (” Onze leiders luisteren naar onze problemen”, zegt de directeur als hij mijn Zwitsers zakmes komt lenen omdat hij geen kurketrekker meer heeft.)

En dat er nu rijken in Beira zijn met dure auto's, in dure, omheinde wijken aan de mooiste stukken strand, dat de geblindeerde Loja Franca vol Zuidafrikaanse waren ligt, louter voor de witte beurs?

“Vroeger verdiende een Portugees tien tot twintig keer meer dan een Mozambikaan. Maar de buitenlanders die hier werken krijgen vijftig tot honderd keer meer en de mensen die voor hen werken zijn de nieuwe assimilado's.”

Meneer Fonseica loopt naar de deur. En mijn rug? Een curandeiro, er zit niets anders op. “ Het zijn de beste dokters van Mozambique, arts, politicus en psychiater tegelijk. Ze voorspellen het weer en helpen je aan een vrouw. Obscurantismo, zeggen ze in Maputo. Ik ken een hele goeie, hij is zelf bijna dood geweest. Ik zal hem u morgen sturen.”

Meneer Fonseica maakt weer een lichte buiging, zijn tanden zijn witter dan een doktersjas en zijn lach heeft mij al half genezen.

Dor nas costas - pijn in de rug. De curandeiro verstaat het, maar hij zoekt de kwaal in mijn oor. Zijn mes ligt al naast mijn bed. Een snee in mijn oor, wat kruiden en ik zal weer dansen, zegt hij. In mijn oorlel zit het centrum van de espinha dorsal. Hij pakt zijn mes. “ Nao, nao.” Hij duwt een handje bladeren onder mijn neus. Een snuif en mijn hersenschors fladdert. Hij kneedt mijn nek. “ Nao, nao.” Hij zoekt het te hoog, ik blijf op mijn stuitje wijzen.

De curandeiro hijgt na van de trappen. Hier sterft een dokter, dacht ik toen hij een geitevel naast mijn bed uitspreidde en geknield voor me neerstortte. Om zijn nek draagt hij een pees met amuletten: schelpen, botten en stukken schildpad. Zijn overhemd is vies, zijn adem ruikt naar boomschors. Maar hij vindt dat ik stink. “ Doce”, zoet, zegt hij als hij mij vraagt op mijn buik te gaan liggen en hardop mijn wervels telt. Blanken ruiken zoet in Afrikaanse neuzen. Hij graait in zijn plastic zak met bladeren, bonen en legt een leguanekop en een geitestaart opzij. De directeur en twee kamermeisjes staan er met gevouwen handen naast. Alsof er een lijk wordt afgelegd.

“De geitestaart helpt ook soldaten, “ stelt de directeur me gerust. “ Het neemt pijn weg en gevaren.”

Mijn billen moeten bloot. Zoveel wit is de meisjes te veel. Ze rennen de kamer uit. De curandeiro knijpt, schudt en slaat met de geitestaart op mijn rug. Oog in oog met de verdroogde kop van een leguaan voel ik onverwacht een steek in mijn aars. De curandeiro heeft een scherpe nagel. Voor de pijn over mijn lippen komt, stopt hij me van onder vol met mumpaku-bladeren. Een toverkogel schiet van bil naar slapen. De geitestaart gaat weer in de zak. Ik hoor nog vaag het fluisteren van de prijs - twintig dollar, de curandeiro houdt vier keer vijf vingers voor me op en ik zie zijn oogwit groeien als ik slaperig naar mijn groene biljetten graai. Het dringt nauwelijks tot me door dat hij nog een armband van slangebotjes om mijn pols bindt.

De directeur laat schone lakens komen en ik blijf dampend achter. Een nacht lang staat mijn rug in een zachte, stinkende brand. Zelfs de kakkerlakken lopen met een bocht om mijn bed.

Na twee dagen schuifel ik door Beira, als een aangeschoten hert over schots en scheve trottoirs. Ik loop langs de winkels, sta stil bij een versteende bh en een pot verf in een vergeelde etalage. Overal zie ik spijkers, bundeltjes met een touwtje bijeengehouden. In de vitrine van een hotel, bij de kruidenier. “ Ze waren jaren niet te krijgen”, zegt hij, “ nu stoten de mensen elkaar aan, ze zijn er weer, de spijkers zijn er weer.” Bij het Rode Kruis wachten de kinderen met lege conservenblikjes op de vrachtauto's om het lekkende meel uit de zakken op te vangen. In de hal van het hoofdpostkantoor weerkaatst de doffe slag van een stempel achter het brievenloket. Alle loketten zijn leeg, leeg.

Ik moet me bedwingen niet iets nutteloos te kopen. Een grote roestvrijstalen moer, zilverglanzend achter glas. Een moer die fluistert: “ Koop mij, koop mij. Ik ben het mooiste uit Beira.”

Op zoek naar de bibliotheek, die ik niet vinden kan want de enige kaart van Beira is een koloniale waarop een boulevard staat en een havenhoofd dat nooit is gebouwd en een stratennet dat niet meer past op de wirwar van nu, passeer ik een reisbureau. De affiches van de Kruger wildtuin zijn door de muizen aangevreten, de pleinen van Lissabon liggen onder het stof. Binnen zit een magere vrouw achter een bureau. Ze pakt een vel papier en tekent haar stad. “ U gaat langs het park... eh, dat was een park, en langs de bank... nou ja, dat was een bank, en achter de bioscoop, dat was... “ Alles was, de nachtclub, het restaurant. Zelf is ze ook versleten. De armoe vreet aan haar kleren, de wolf aan haar tanden, haar grijze haar is geel van de rook. Om de zin zegt ze: “ Toen we... Toen we nog naar buiten konden, toen we nog een auto hadden, toen we het hotel nog hadden.” Ze moet er zelf om lachen: “ We zijn de laatsten van de toen-we-stam.”

“Waarom bent u gebleven?”

“Ik wil hier sterven, maar dat duurt al vijftien jaar. Een ziekte houdt me hier en... ik houd van Beira”, zegt ze verontschuldigend. “ We geloofden dat het beter zou worden, maar de boycot heeft onze stad verwoest. Beira draait op voor de mooie gebaren van Maputo. Ze hebben ons toen laten barsten. We zijn de tweede grote stad van het land, maar we tellen niet mee. En daar hebben de bandieten misbruik van gemaakt.”

Nog kan ze erom lachen hoe dertien jaar geleden even buiten Beira een bus door bandieten werd overmeesterd. Er zaten hoge partijbonzen in. Ze moesten allemaal hun kleren uittrekken en zijn naakt terug naar de stad gestuurd. Ze werden hier met applaus ontvangen. “ Voor ons was het een protest tegen het verwaande zuiden. Tot na de kleren ook de levens werden genomen.”

    • Adriaan van Dis