De toonkasten en woonkasten van Leon Stynen

Tentoonstelling: Leon Stynen, een architect. De Singel, Jan Van Rijswijcklaan 155, Antwerpen. T-m 3 febr. Di. t-m zo. 14-18u. Catalogus Bfr. 1350.

De Vlaamse architect Leon Stynen was een ijdeltuit. Dat zie je zo aan de enkele foto's van hem op de aan zijn werk gewijde tentoonstelling in DeSingel in zijn geboortestad Antwerpen. Het is toepasselijk dat dit posthume eerbetoon - het was als viering bedoeld, maar Stynen overleed vorig jaar op negentigjarige leeftijd - in dit complex van conservatorium, Radio 2 en theater wordt gehouden: het was zijn laatste gebouw.

Stynen cultiveerde onbeschaamd het uiterlijk. Schoonheid moest volgens hem volmaakt zijn en niets laten doorschemeren van de dagelijkse menselijke misere. Niet voor niets legde hij zich vooral toe op wat hij toonkasten noemde: bioscopen, bij voorbeeld, en casino's aan de Belgische kust. Van de natuur wordt achter glas, op een gepaste afstand genoten. Het is veelzeggend dat zijn eerste projecten een theater en een monument voor de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog waren. Bij deze architectuur hoort kunstlicht: “Haar natuurlijke staat is de nacht.”

De tentoonstelling besteedt relatief veel aandacht aan zijn werk als student. Stynen werd bij toeval architect: hij wilde ingenieur worden (hij ontwierp later ook twee bruggen), maar in de Eerste Wereldoorlog moest hij overstappen naar de Academie voor Schone Kunsten. Daar maakte hij kennis met het classicisme, en manifesteerde zich al snel de hang naar symmetrie en monumentaliteit die hij zijn leven lang zou houden. Ook aan de Art Deco was hij schatplichtig.

Maar - en dat is een van de paradoxen die Stynen zo intrigerend maken - zijn werk is ook duidelijk verwant aan dat van het boegbeeld van het Modernisme, Le Corbusier, met wie hij bevriend raakte. Diens Pavillon de l'Esprit Nouveau op de Art Deco expositie van 1925 in Parijs was “de openbaring”, vertelde Stynen in een interview. In 1970 ontwierp hij voor Le Corbusier een (nooit gerealiseerd) museum.

DeSingel heeft onmiskenbaar Corbusiaanse trekken, Stynens gebouw voor C en A aan de Meir - een fel, theatraal contrast met de omringende fin de siecle bebouwing - doet denken aan Le Corbusiers klooster La Tourette en het flatgebouw Heuvelhof uit 1956 aan een Unite d'Habitation.

Geheel in de geest van Le Corbusier, met bijna wiskundige reeksen torens, maakte Stynen ook een ontwerp voor de bebouwing van de linkeroever van de Schelde, een plan waar nog steeds aan wordt gerefereerd in de discussie over de stedebouwkundige toekomst van Antwerpen.

Stynen beschouwde de stad als een indrukwekkend decor. Aan de rand van Antwerpen, zijn eigen stad, voegde hij daaraan DeSingel toe, het ernaast gelegen Belgische Lloyd en het Crest-hotel. Het zijn “welluidende accenten in een landschap van autowegen”, schrijft Geert Bekaert in de catalogus. In de jaren zestig ebde de frisheid weg; veel van zijn gebouwen uit die periode lijken volgens een vast stramien ontworpen. De ware inspiratie ontbreekt.

Stynen neemt in de Belgische bouwkunst een bijzondere plaats in. Hij bouwde veel, stond met de koning op de foto en richtte het Nationaal Hoger Instituut voor Architectuur en Stedebouw in Antwerpen op, maar invloed op de Belgische architectuur als geheel heeft hij bijna niet gehad. “Er was in hem een natuurlijke weerzin tegen de avantgarde, “ aldus Bekaert. “Hij was geen ruitenbreker.” Het theatrale stond bij hem hoger aangeschreven dan het originele.

De tentoonstelling, samengesteld rondom de thema's 'toonkast', 'woonkast' en 'vormwet', is te zien in de gangen rondom de binnentuin van DeSingel. Daardoor kom je in ruimtes van het gebouw die normaal niet voor publiek toegankelijk zijn en ontstaat er een bevredigende wisselwerking tussen onderwerp en omgeving. Je loopt als het ware samen met de architect door zijn gebouw-als-kijkkast.

Helaas laten de samenstellers het werk, vertegenwoordigd door foto's en tekeningen, wel erg voor zichzelf spreken. De toelichting is zo summier dat Stynens werk en opvattingen niet of nauwelijks enige context krijgen. Het verhaal is pas te vinden in het begeleidende boek, dat prachtig is uitgevoerd tussen twee dikke, met een spiraal gebonden stukken karton. Eigenlijk is de expositie naast dit bijzondere boek bijzaak.