De Einstein der wijzen

Deze week praatte een gezelschap dames en heren op een dag van het Studiecentrum voor Bedrijf en Overheid over het succesvol beheren van grote tot zeer grote beleggingsportefeuilles. In die kringen maakt men zich even druk over een tiende procent meer of minder rendement als Heinze Bakker over een honderdste schaatsseconde. Geen wonder, want zo'n fractie is op een portefeuille van honderd miljoen toch honderd duizend gulden.

Veel rekenwerk achter de komma dus en dat leidt tot een serieuze instelling. Of niet? Dagvoorzitter Frans Ballendux van Pierson Capital Management opende verrassend.

Toen Einstein overleed kwam hij bij Petrus die zich verontschuldigde omdat de zeergeleerde door plaatsgebrek een kamer moest delen met minder begaafden. Dat vond de nieuwe hemelgenoot geen bezwaar. Bij de kennismaking vroeg hij aan een kamergenoot: “Wat is uw intelligentie-qoutient?” “ 180”, antwoordde die. “Prima”, zei Einstein, “met u kan ik praten over al mijn theorien.”

“En u? ”, aan een tweede. “ 120, meneer.” “Dan discusseren wij over literatuur en politiek.”

Een derde kamergenoot was bleven steken op 80 IQ. Einstein moest even denken: “Dan praten wij gezellig over beleggen”.

De zaal vertrok geen spier en gaf geen kik. Ballendux vervolgde, even onverstoorbaar, zijn inleiding. Het beheren van een berg geld is kennelijk een serieus beroep. Niet iedere grootbelegger verkeert daarbij in dezelfde positie.

De beheerder van een bedrijfspensioenfonds die redelijk goed kan voorspellen wanneer en hoeveel hij uit moet keren, kan in principe volstaan met beleggingen in bijna risicoloze staatsleningen en andere obligaties. Boekt hij iets betere resultaten dan verwacht, dan is dat een pluim op de hoed van de beheerder en een voordeel voor de verzekerden.

De beheerder van een levensverzekeringmaatschappij heeft het moeilijker, omdat hij altijd de priemende ogen van de directie in zijn rug zal voelen. Immers op een reserve van een miljard scheelt iedere procent meer of minder rendement tien miljoen gulden.

Beleggingsfondsen met beursnotering leven in een glazen huis. Iedereen kijkt mee. Bovendien publiceren banken en andere instellingen regelmatig vergelijkende overzichten van deze fondsen.

Kortom, fondsbeheerder is een ondankbaar beroep. Daarom zijn al die lieden op zoek naar de steen der wijzen: hoe kan ik meer rendement behalen met minder risico dan andere fondsen? Want zover is het al in fondsenland. Het gaat er niet meer om of je goed belegt, maar hoe hoog je eindigt op een ranglijst die appels en peren met elkaar vergelijkt of hoe ver je afwijkt van een berekend gemiddelde.

Het meten van prestaties is, volgens drs L. J. de Man van Rematch, uitgegroeid tot een bedrijfstak, omdat resultaat-(performance)meting en -evaluatie aan belangstelling en betekenis winnen. Onder meer door een groeiend rendementsbesef en (dankzij de moderne portefeuille theorie) een grotere belangstelling voor risico-analyse bij bezitters van vermogen. Ook de toenemende internationalisering, automatisering en (deel)indexen (als vergelijkingsmaatstaf) dragen bij aan die ontwikkeling. Ondanks alle hulpmiddelen moeten de rapportcijfers uit de metingen kritisch bekeken worden. En dat is een beetje steun in de rug voor de slecht presterende beheerders.

De moderne portefeuille theorie (MPT) is een leer die door sommigen van haar toepassers naar voren is geschoven als zo'n steen der beurswijzen, Haarlemmer wonderolie. Toepassing van de MTP bij de Amro is zinvol, vindt drs P. J. Stephan gepensioneerd hoofd beleggingsresearch van de bank.

De theorie beslaat een breed gebied waaruit de Amro vier elementen gebruikt. Het vormen van portefeuilles om risico's af te bakenen.

De keuze voor een bepaalde portefeuille is gebaseerd op het verwachte rendement en risio, die beide in cijfers uitgedrukt moeten kunnen worden.

Er dient een positief verband te bestaan tussen het verwachte risico en het verwachte rendement op de gekozen beleggingen.

En als vierde: de markten zijn in aanzienlijke mate efficient, de koersen weerspiegelen alle bekende informatie.

De kritiek op de resultaten van de Amro met de MPT weerlegde de inleider onder verwijzing naar een samenloop van veel slechte omstandigheden en een te korte meetperiode.