De EG houdt de gelederen slechts met moeite gesloten; Europese eenheid of solidariteit met de Amerikanen

BRUSSEL, 12 jan. - “Europa heeft het recht en de plicht aanwezig te zijn opdat mondiale problemen op een evenwichtiger manier kunnen worden opgelost.” Dat zei begin september vorig jaar, een maand na de inval van Irak in Koeweit, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Javier Perez de Cuellar, in een vraaggesprek op de Franse televisie.

Die bewering lijkt vier maanden later, na het gesprek van de secretaris-generaal met de EG-ministers van buitenlandse zaken, gisteren in Geneve, kracht te worden bijgezet. De bedoeling is immers dat Perez de Cuellar dit weekeinde, na zijn ontmoeting met Saddam Hussein, de Europese Gemeenschap zal laten weten of het nog zin heeft dat de huidige Europese 'trojka', bestaande uit de ministers van buitenlandse zaken van Luxemburg, Italie en Nederland, een allerlaatste, afzonderlijk Europees initiatief ontwikkelt en naar Bagdad reist om een oorlog tegen Irak te voorkomen.

Als dat gebeurt zal dat onwillekeurig worden uitgelegd als een gang naar Canossa, want nog maar een week geleden wees de Europese Gemeenschap elke gedachte aan een bezoek aan de Iraakse hoofdstad verontwaardigd van de hand. Dat zou immers een affront zijn tegenover de Verenigde Staten, die zelf alle pogingen om in Washington en Bagdad contact te hebben met het Iraakse leiderschap getorpedeerd zagen. En die zich uiteindelijk tevreden moesten stellen met de ontmoeting tussen Baker en Tareq Aziz, afgelopen woensdag in Geneve, die eindigde in een fiasco.

De ironie van de geschiedenis wil dat direct na de tweede augustus, het begin van de overrompeling van Koeweit, de secretaris-generaal zomin als de Europese Gemeenschap erg op de voorgrond trad. Het duurde lang voordat Perez de Cuellar naar New York terugkwam van een reis in Peru; Europa was voornamelijk met vakantie en beperkte zich aanvankelijk tot het uitgeven van routineus klinkende verklaringen.

Eigenlijk duurde het zo'n drie weken voordat eindelijk tot Europa doordrong wat er aan de hand was. Toen besloot de Westeuropese Unie, waartoe negen van de twaalf EG-lidstaten behoren, om vlooteenheden naar de Golf te sturen. Maar daarbij was nauwelijks sprake van gemeenschappelijkheid: de eskaders bleven onder nationaal commando. Pas in een later stadium kwam er meer coordinatie.

Alleen Groot-Brittannie en Frankrijk leverden substantiele bijdragen aan de internationale strijdmacht die de Verenigde Staten op de been brachten. Maar bij elkaar was dat nog geen vijf procent van het totaal. Het leeuwedeel van de strijdkrachten die nu in het Golfgebied zijn, 95 procent, kwam van de VS.

De initiatieven die de Europese Gemeenschap heeft genomen waren allemaal het resultaat van moeizaam bereikte compromissen. Zoals begin september, toen de Europese Commissie voorstelde om een bedrag van twee miljard dollar uit te trekken voor de drie landen die het meest onder het embargo tegen Irak te lijden hadden: Jordanie, Turkije en Egypte. De Britten rekenden voor dat zij door hun militaire bijdrage per dag al bijna zeven miljoen gulden kwijt zijn, zodat daar in elk geval rekening mee gehouden zou moeten worden bij de verdeling van de kosten. Van hun kant klaagden de Duitsers over de zes miljard dollar die Saoedi-Arabie en de Verenigde Arabische Emiraten hadden toegezegd: dat is alleen maar extra winst die ze in een maand hebben terugverdiend door de gestegen olieprijzen, schamperde minister Genscher.

De eerste duidelijk politieke breuk in het Europese front tegen Irak kwam toen president Mitterrand in zijn rede voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het voorstel deed dat een internationale vredesconferentie over de Palestijnse kwestie bijeengeroepen zou moeten worden nadat Irak Koeweit zou hebben ontruimd en de soevereiniteit van dat land zou zijn hersteld.

Frankrijk liet met dat voorstel immers de onvoorwaardelijkheid van de VN-resoluties los en vond ogenblikkelijk Washington, maar ook Londen, Den Haag en andere Europese hoofdsteden tegenover zich. Zeer opmerkelijk was in elk geval wel dat de meer dan 300 Franse gijzelaars in Irak spoedig daarna allemaal tegelijk werden vrijgelaten.

De gijzelaarskwestie vergiftigde de hele maand november de onderlinge relaties tussen de lidstaten. Na Frankrijk wist de Britse oud-premier Edward Heath een beperkt aantal landgenoten vrij te krijgen en terwijl de meeste andere lidstaten nog worstelden met het probleem hoe het publiek duidelijk gemaakt kon worden dat het niet aan hun hardvochtigheid lag dat hun gijzelaars nog niet vrij waren, maar aan de noodzaak het internationale front tegen Saddam Hussein in stand te houden, brokkelde dat front onder hun ogen af: de Europese Raad die eind oktober in Rome bijeenkwam mocht dan nog wel plechtig verklaren dat de lidstaten niet op de pogingen van de Iraakse leider zouden ingaan “om verdeeldheid te zaaien in de internationale gemeenschap”, op datzelfde moment stond de missie van oud-bondskanselier (en Nobelprijswinnaar) Willy Brandt al klaar om met de steun van Bonn een groot aantal gijzelaars uit Bagdad naar huis te krijgen.

Met het oog op de steeds vijandiger wordende publieke opinie ontwikkelden de lidstaten wier gijzelaars nog in Irak waren in november initiatieven om andere kanalen aan te boren: de Maghreb-landen, de Verenigde Naties. Uiteindelijk bleek het allemaal niet meer nodig toen Irak in december de vrijlating van alle gijzelaars afkondigde. Maar toen was de schade al ruimschoots aangericht: een Belgische parlementaire delegatie kronkelde zich eind november in Bagdad in alle mogelijke bochten om het Saddan Hussein naar de zin te maken met verklaringen over vrede en tegen gebruik van geweld. In de visie van Irak was Belgie dan ook een “dapper en vredelievend volk”.

Hoe dapper bleek ook toen Belgie een Brits verzoek afwees om munitie te leveren voor hun troepen in de Golf, wat de Belgen te staan kwam op bittere verwijten uit Londen. Zelfs de levering van veldhospitalen, waarom de Britten hebben gevraagd in plaats van munitie, stuit dezer dagen op weerstand: de hospitalen zullen vermoedelijk arriveren als de oorlog al is afgelopen.

Het meest treffende toonbeeld van verdeeldheid binnen de Europese Gemeenschap werd geleverd tijdens de bijeenkomst van de ministers van buitenlandse zaken in Luxemburg in het kader van de Europese Politieke Samenwerking, op 4 januari. De zeer verhitte discussie over de vraag of de EG toch een gesprek met Tareq Aziz moest voorstellen, los van een mogelijke afwijzing door Irak van een gesprek met Baker, kon op het allerlaatste moment alleen worden gered doordat Irak het gesprek met Baker accepteerde.

De kernvraag voor de Europese Gemeenschap is al tientallen jaren dezelfde: wat moet de prioriteit krijgen, de Europese eenheid of de solidariteit met de VS? Britten en Nederlanders menen dat de veiligheid van Europa tot in de verre toekomst bij de VS zal liggen en dat die relatie niet kan worden gemist. Frankrijk vindt dat er, los van Amerika, eigen Europese initiatieven ontwikkeld moeten worden, zelfs als dat die solidariteit in gevaar brengt. In tijden van grote crises, zoals de afgelopen maanden rondom de Iraakse inval in Koeweit, is de Europese verdeeldheid over die vraag weer op onbarmhartige wijze aan het licht getreden.