Argeloos medelijden met armoede en stoflongen

Tentoonstelling: Aan het werk, de arbeidende mens in beeld. Gemeentemuseum Helmond; t-m 3-3; di t-m vr 10-17 uur, za en zo van 14-17 uur.

Een van de voordelen van een thematisch begrensde boven een algemene tentoonstelling is de relatief grote aandacht die minder bekende kunstenaars daarin kunnen krijgen. Zo moet men immers speuren naar zoveel mogelijk manieren waarop dat ene onderwerp door de jaren heen is behandeld.

Dikwijls wordt dan eerder onvermoede kwaliteit opgediept, werk dat ten onrechte vergeten raakte tussen de grote lijnen van de kunstgeschiedenis. Of het zicht op een wel bekende naam wordt verruimd door belichting van overschaduwde delen in een oeuvre. Melle - de voor- en schildersnaam van M. J. Oldeboerrigter, beroemd geworden met zijn erotische surrealisme - werkte in de jaren dertig bijvoorbeeld aan een serie tekeningen en pastels met de crisis en werkloosheidsellende als onderwerp. Die vergeten reeks, die nu in particulier bezit is verspreid, zou uitstekend hebben gepast in de collectie van het Gemeentemuseum Helmond, dat zich in het bijzonder toelegt op het bijeenbrengen van beeldende kunst met de arbeidende mens als bron van inspiratie. Het thema 'werk' wordt zo ruim opgevat dat ook andere aspecten eronder vallen, zoals het door de industrie veranderende landschap, de arbeidersbeweging, stakingen en dergelijke.

Omdat men precies tien jaar geleden met het opzetten van deze verzameling begon is in Helmond de jubileumtentoonstelling Aan het werk ingericht, die vrijwel de gehele ruim 450 stukken tellende collectie omvat. De expositie is verdeeld over het in het centrale stadspark gelegen romantische middeleeuwse kasteel, waarin het Gemeentemuseum Helmond is gevestigd, en een dependance er vlakbij. Voorts zijn de schilderijen, grafiek, de plastieken en foto's, zij het uitsluitend in zwart-wit gereproduceerd in een catalogus (f. 35, 00) met korte inleidingen door Bea Brommer en Annemieke Hogervorst.

Het gaat dus over de arbeidende mens van 1600 tot heden. De ondertitel van de expositie suggereert iets te veel; onder het heden moeten toch voornamelijk de jaren dertig met enkele uitlopers naar de jaren vijftig worden verstaan. De fotografie even buiten beschouwing gelaten, heeft de moderne beeldende kunst weinig boodschap aan thema's en nog minder aan sociale uitgangspunten. Werk, de arbeidende mens - het zijn voor velen theatraal verdachte begrippen geworden die een door het sociaal realisme besmette figuratie nodig zouden hebben.

Slechts bij uitzondering zijn de laatste jaren pogingen ondernomen de oude thematiek op andere manieren te benaderen. Gerbrand Volger en Willeke van Tijn deden dat met opmerkelijke resultaten in hun reeksen schilderijen met een verlaten en reeds door de slopershamer aangetaste papierfabriek als onderwerp. En later ook, toen zij zich lieten inspireren door het geweld en de vuurgloed in ijzersmelterijen. Hun werk ontbreekt nog (? ) in de Helmondse verzameling, waarin de nadruk op de eerste helft van deze eeuw ligt.

Werk werd en wordt altijd dubbelzinnig beoordeeld en gewaardeerd, arbeid is een vloek en zegen tegelijk, arbeid adelt maar stompt ook af, of veroorzaakt stoflongen, arbeid bevordert welvaart ten koste van het welzijn, draagt bij aan een nationaal produkt maar verziekt het milieu, soms moeten arbeidsplaatsen gecreeerd worden en dan wordt het paard achter de wagen gespannen. Arbeid is een door het opperwezen aan de ongehoorzame mens opgelegde straf maar het is een nog grotere straf als zij diezelfde mens onthouden wordt.

In Helmond is te zien hoe juist de mooiste kunstenaars gestalte geven aan ons aller onzekerheid, als het over werken en arbeid gaat, ook als ze denken zeker te weten. Bijvoorbeeld Herman Heijenbrock (1871-1948), een der bekendste werk- en industrieschilders. Hij was ervan overtuigd dat industrialisatie en massa-produktie zijn ideaal van welvaart en gelijkheid onder de mensen zou bevorderen. Heijenbrock vond fabrieken, schoorstenen en de vuurgloed van hogovens dan ook mooi. Dat blijkt uit zijn de macht en kracht van fabrieken weerspiegelende schilderijen. En het portret van een Gasstoker toont ons een sterke jonge kerel, een de toekomst inblikkende eerlijke vent.

Maar toch, als Heijenbrock een groep naar de mijn sjokkende arbeiders schildert, of een door de hitte van een vuurpot bijna verzengde man, lijkt er twijfel bij hem door te breken. Hij was zeker geen uitgesproken politiek bewogen schilder, eerder een ambachtelijk bekwaam en nauwkeurig uitbeelder van een positief beoordeelde nieuwe tijd. Zijn kunstenaarschap blijkt echter vooral uit die ondanks hemzelf doorbrekende relativerende twijfel over het geluk van de keine arbeidersfiguurtjes in de als moderne kathedralen ten hemel reikende fabrieken. Of in een schilderij van een loodmijn, dat een landschap van vernielde natuur werd.

Ook uit de benadering van wel zeer bewust politiek bewogen kunstenaars blijkt twijfel, onder anderen Peter Alma, Lou Loeber, Johan van Hell, linkse mensen die artistiek in de buurt van De Stijl stonden maar deze stroming als te elitair verwierpen. Zij wilden in hun werk begrijpelijk blijven voor de arbeiders en bleven daarom binnen de grenzen van de figuratie, maar herschiepen de werkelijkheid wel tot heldere schema's, geometrische composities, constructivistische projecties. Maar ook bij hen die enerzijds-anderzijds-aarzeling. Tegenover de nieuwe schoonheid van moderne fabriekslijnen bijvoorbeeld de gestyleerde minimumlijder achter zijn oliekarretje van Louis Schrikkel, een der minder bekend geworden kunstenaars die in Helmond met indrukwekkende schilderijen is vertegenwoordigd.

Veel schilders, vooral die van wat langer geleden, lijken het werk en de arbeider neutraal te bekijken, als schilderkunstige motieven waaraan geen mening of standpunt verbonden hoeft te worden. Anton van Rappard (1858-1892) was zo'n schilder. IJverig en nauwkeurig verzamelde hij geschilderde schetsen van arbeiders en arbeidsters, die af en toe in grotere voorstellingen werden verwerkt. Het zijn knap maar vlak geschilderde composities met een waarschijnlijk grote documentaire waarde, maar toch van een buitenstaander. Merkwaardig genoeg maken ook de fotoseries uit de jaren dertig tot en met vijftig soms die indruk. Mensen als Cas Oorthuys en Carel Blazer, van wie hun linkse betrokkenheid toch vaststond, lijken dan op te gaan en zich te verliezen en verlustigen in het fotografisch genot dat de scenes in fabrieken en op werven opleverde. Mooie foto's, dat wel.

Het in Helmond behandelde thema kent ook het prachtig geschilderde melodrama zoals het nu niet meer gemaakt kan worden omdat - zoals gezegd - de figuratief geuite stellingname in de beeldende kunst door de jongste geschiedenis verdacht is geraakt. Vroeger kon het wel, bijvoorbeeld de geheven armen in een schilderij van Harmen Meurs uit 1935, die een Vrouwenprotest tegen de werkloosheid schilderde. Of de doffe wanhoop in een meters groot doek van de Belg Lucien Lejeune. Misere heet het interieur met een ruim levensgrote jonge werkloze, die vergeefs tracht zijn door verdriet overmande vrouw te troosten, de moeder van het niets vermoedende kindje op haar schoot, de door het raam zichtbare groep stakers die met de rode vlag voorop voorbij marcheert.

Wat deze schilderijen kenmerkt, ook het monumentale Langs het jaagpad uit 1934 van Sjef van Schaijk, is de argeloosheid waarmee verontwaardiging en betrokkenheid worden uitgebeeld. Een argeloosheid die in de moderne kunst geheel verdwenen is. Kwaadheid, medelijden, solidariteit mogen slechts via omwegen en cryptisch verpakte abstracties aan de orde komen. De expositie in Helmond met het werk van honderden kunstenaars, bekenden en heel veel volstrekt onbekenden, doet toch de vraag rijzen of er geen ruimte moet komen voor zoiets als een nieuwe theatrale stroming. En ook voor een herwaardering van desnoods sociale thematiek.

Nog minder dan vroeger is er zekerheid over werk, een behoorlijke definitie van het begrip arbeid ontbreekt. Kan er van werken worden gesproken bij onbetaalde arbeid? Is het afzien van werk soms niet te verkiezen omdat het milieu een nog grotere prioriteit heeft? Moeten bijvoorbeeld rivierdijken worden verhoogd, verbreed en met betonnen taluds gladgestreken terwille van zoveel manjaren werk? Dient de samenleving niet toe te geven dat het arbeidsethos van vroeger niet langer past in een elektronisch-digitaal gestuurde situatie. Een artistieke benadering van deze vraagstukken moet mogelijk en zinvol zijn.

    • Bas Roodnat