Ze schreeuwden om Ledoux; Revolutionaire architectuur tijdens het Ancien Regime

Anthony Vidler: Claude-Nicolas Ledoux. Architecture and Social Reform at the End of the Ancien Regime. Uitg. The MIT Press, 462 blz. Prijs fl. 124, 20

De architect Claude-Nicolas Ledoux vond dat een gebouw een 'caractere' moest hebben dat in overeenstemming was met zijn functie: een kerk moest 'mysterieus' zijn, een openbaar gebouw 'groots' en een gevangenis 'verschrikkelijk'. Zijn eigen bouwwerken inspireerden de mensen volgens hem tot 'vrijheid en humanitaire gedachten', maar de Franse revolutionairen dachten daar anders over.

De Franse architect Claude-Nicolas Ledoux (1736-1806) blijft in de mode. In de jaren twintig en dertig van deze eeuw beschouwden de modernisten hem als een voorloper. Ze zagen niet alleen overeenkomsten tussen hun eigen architectuur en de geometrische vormen van Ledoux' ontwerpen, maar werden vooral aangesproken door zijn gedachte dat architectuur de wereld kon verbeteren. De laatste decennia koesteren de postmodernisten hem als een architect die, net als zijzelf, op een onconventionele manier de regels van het classicisme gebruikte.

Beide partijen hebben enig recht van spreken, zo blijkt uit het onlangs verschenen boek over Ledoux van Anthony Vidler, hoogleraar aan de Princeton University. Het oeuvre van Ledoux is zo veelomvattend dat er voor elke architect wel iets herkenbaars in zit. Maar, schrijft Vidler, Ledoux was zeker niet zo revolutionair als de modernisten graag geloofden. Het ontwerp voor de ideale stad Chaux, die Ledoux de reputatie van politieke revolutionair bezorgde, was een van de vele utopieen die de Verlichting heeft voortgebracht. De ideeen van Ledoux over Chaux, waar net als in Tony Garniers ideale stad van ruim een eeuw later een gevangenis overbodig zou zijn, waren verwant met de fysiocratische opvattingen over landbouwhervormingen. De fysiocraten beschouwden de economie als een kringloop van goederen die niet gehinderd moest worden door obstakels als staatsmonopolies en protectie. Maar hun pleidooi voor vrijhandel en vrij gebruik van grond was niet bedoeld als een aanval op het ancien regime. Integendeel, vrijhandel zou juist leiden tot een economische bloei die de positie van het regime zou versterken.

Ledoux was volgens Vidler dus zeker geen revolutionair in politieke zin. Hij was een opportunist. Voor de revolutie van 1789 had hij goede contacten met de aristocratie voor wie hij in Parijs en op het platteland huizen bouwde die vaak zo duur werden dat ze de opdrachtgevers ruineerden. Voor de Ferme Generale, de door de fysiocraten zo verfoeide belastingdienst, bouwde hij een zoutfabriek, de Saline de Chaux, het enig overgebleven complete bouwwerk van Ledoux. En in de jaren vlak voor de revolutie ontwierp hij voor dezelfde Ferme tientallen tolhuizen rond Parijs die voor nieuwe inkomsten van koning Lodewijk XVI moesten zorgen. Nog voor de bestorming van de Bastille gingen veel van deze barrieres in vlammen op. Deze gehate symbolen van het ancien regime waren de belangrijkste oorzaak van de val van Ledoux na de revolutie.

Nationale bijl

Op 29 november 1793 werd Ledoux gearresteerd. Het Comite Revolutionnaire omschreef hem als “een persoon die ontegenzeggelijk koningsgezind was voor de dood van de tiran en sindsdien wil getuigen van zijn patriottisme door te keuvelen met patriotten.” Ledoux verweerde zich door te wijzen op zijn gebouwen die het 'publiek vervulde met vrijheid en humanitaire gedachten'. Waarschijnlijk op voorspraak van collega-architecten als Boullee overleefde Ledoux de terreur en werd hij op 13 januari 1795 vrijgelaten. Later deed Ledoux zijn arrestatie laconiek en in strijd met de waarheid af als een misverstand: “Ik werd onderbroken... .De nationale bijl werd geheven, ze schreeuwden om Ledoux, maar dat was niet ik, mijn gelukster leidde het: het was een doctor van de Sorbonne met dezelfde naam. Ongelukkig slachtoffer!... . Ik ga verder.”

Na zijn vrijlating ondernam Ledoux een poging tot nieuwe officiele erkenning, maar tevergeefs. Hij trok zich terug uit het openbare leven en hield zich bezig met het schrijven van zijn boek L' Architecture dat in vijf delen zijn complete oeuvre zou moeten bevatten. Alleen het eerste, aan tsaar Alexander I opgedragen deel uit 1804, dat de ontwerpen voor de Saline en de ideale stad Chaux bevatte, werd door hemzelf voltooid.

De sociale utopie van Ledoux mag dan niet uniek zijn in zijn tijd, zijn vormgeving ervan was dat volgens Vidler wel. Net als zijn leermeester Jean-Francoisois Blondel vond Ledoux dat een gebouw e'caractere' moest hebben dat in overeenstemming was met zijn functie: een kerk moest 'mysterieus' zijn, een openbaar gebouw 'groots' en een gevangenis 'verschrikkelijk'. Blondel bleef met zijn karaktervoorschriften voor de verschillende gebouwentypen keurig binnen de classicistische conventies, maar Ledoux doorbrak de regels opzettelijk. Voor Ledoux was architectuur een soort theater. Zelfs een voorbijganger zonder enige kennis van de classicistische regels moest een gebouw kunnen beoordelen aan de hand van de emoties die het bij hem opwekte.

“Ledoux behandelde de klassieke traditie als een soort taal”, schrijft Vidler, “hij sneed bijna letterlijk in de samenstellende delen ervan en formuleerde met de losse elementen alsof het evenzovele woorden waren.” Bij veel architecten is de tot op het bot afgekloven clichevergelijking tussen taal en architectuur niet op zijn plaats, maar bij Ledoux zeker wel. Ledoux vond dat architectuur kon spreken en voor zijn werk werd door critici voor het eerst het begrip architecture parlante gebruikt. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is het ontwerp voor het bordeel in de ideale stad, dat als plattegrond een fallusvorm kreeg.

De achttiende-eeuwse architect Quatremere de Quincy maakte een soortgelijke vergelijking als Vidler toen hij Ledoux omschreef als 'de Markies de Sade van de architectuur die het classicisme in stukken scheurde met het genot van de beul.' En inderdaad: zelfs nu, na alle postmodernistische grillen, doet het classicisme van Ledoux nog merkwaardig aan. Niet zozeer door de eenvoudige geometrische volumes - daaraan zijn we tenslotte wel gewend na het modernisme - maar nog meer door de combinaties van klassieke elementen waarvan zelfs een leek kan zien dat ze vreemd zijn.

Doodzonde

Het zondigen tegen de klassieke regels begon bescheiden in 1768 met het Hotel d Uzes waarbij Ledoux gigantische zuilen voor de entree gebruikte. Blondel sprak er schande van: zulke zuilen mochten alleen worden gebruikt bij een 'heilig' of openbaar gebouw. Met de Saline de Chaux uit 1774 werd Ledoux al een grotere zondaar, doordat hij de fabrieksgebouwen voorzag van zuilen en ornamenten. Dat hoorde niet bij zulke functionele gebouwen en zelfs koning Lodewijk XV vroeg zich af: “Waarom zoveel zuilen?” Met de barrieres uit de jaren 1784-1789 beging Ledoux een doodzonde en was hij voorgoed een vijand van het classicisme. Nog in 1832, toen de na de revolutie herbouwde barrieres nog volop in bedrijf waren, beklaagde de schrijver Victor Hugo zich over Ledoux die de architectuur zou hebben gereduceerd tot 'het bottige skelet van een uitgemergelde invalide'. Toen de barrieres op een paar na in de loop van de negentiende eeuw werden afgebroken, waren er dan ook niet veel mensen die daar om treurden. Pas in de twintigste eeuw werd het werk van Ledoux weer gewaardeerd.

Vidler heeft met zijn boek een indrukwekkende prestatie geleverd. Hij houdt van het werk van Ledoux, maar laat zich nooit verleiden tot een ongenuanceerde jubeltoon. Zijn kennis van het onderwerp is enorm: het boek is niet alleen een helder betoog over Ledoux, maar laat zich ook lezen als een sociaal-culturele studie van het Frankrijk uit de tweede helft van de achttiende eeuw. Bij de behandeling van de Saline bij voorbeeld vertelt Vidler uitgebreid over het bestuur van de fabriek, de zoutproduktie in die tijd, het leven van de arbeiders, de gevolgen van de zoutfabriek voor de regionale economie enzovoort, enzovoort. En het wonderlijkste is misschien nog wel dat al die details nooit vervelen doordat Vidler steeds duidelijk weet te maken dat ze van belang zijn voor een goed begrip van het werk van Ledoux.

Dit boek is voor lange tijd en misschien wel voor altijd het laatste woord over Ledoux.