Wat wij zien en horen

Op oudejaar als onze papa vuurwerk gaat kopen, mogen wij nooit mee. Hij vindt vuurwerk het schitterendste dat er is en koopt er altijd zoveel van dat zijn auto een rijdende bom wordt. Hij zegt dat als er iets mis zou gaan er dan maar een van de familie opgeblazen wordt, en dan blijven er tenminste een paar jongens achter die later kunnen vertellen, in geuren en kleuren natuurlijk, dat ze ineens een enorme donderslag hoorden en toen boven de dennen uit in flarden de kleding van hun papa zagen vliegen gevuld met bloederige hompen en stompen tussen knetterende sterren en vuurfonteinen. Als we dan een beetje beginnen te kermen en lachend te griezelen, zegt hij vrolijk: “Maar lieve jongens, er is toch geen mooiere dood dan als een vuurpijl tussen de stammen door omhoog te schieten en boven de kruinen in een ziedende en kronkelende sterrenregen te verpulveren tot wat arabisch schrift van rook.” Hopelijk is het maar een grapje en we zijn blij als alles thuis veilig opgeborgen is tot het grote moment. We mochten meteen al een paar kleinere vuurwerkjes ontsteken, want er woont hier niemand in de buurt dus je geeft geen slecht voorbeeld.

We hebben ieder twee gouden kikkers mogen afsteken. Die zijn groen met zwarte en witte strepen en kijken echt met schrikogen alsof ze weten dat ze met kruit gevuld zijn. Ze hebben een komisch rood tongetje van vloepapier waar de lont als een wormpje uitsteekt. Als je die aansteekt spuugt hij eerst een kleine knetterende sterrenregen en dan blaast hij met een schrille fluittoon nog een straal vuur naar buiten alsof hij iets te gulzig op zijn longen gerookt heeft. Onze papa zei iedere keer als er een uitgewerkt was: “Zo, dat amfibietje kan zijn winterslaap gaan doen.” Daarna mochten we ook nog een paar Climbing Panda's afsteken. Op een kokertje zit een bordpapieren pandabeertje. Als je de lont aansteekt gaat het verwonderde diertje als een razende in de rondte draaien en dan schiet het ineens omhoog op een staafje in elkaar gedraaid pakpapier alsof het doodsbang is dat het zijn kontje zal schroeien.

Verleden jaar nog werd al ons vuurwerk al om tien uur afgestoken omdat we zaten te knikkebollen van de slaap. Maar van het jaar bleven we voor het eerst springwakker. Toen we elkaar om twaalf uur een gelukkig nieuwjaar hadden gewenst en champagne hadden gedronken, wij ook een klein glaasje, gingen we het terras op. Boven Den Helder was de lucht zo rood als een remlicht van de alarmkogels die van de schepen de lucht in werden geschoten. En toen werd onze tuin een sprookjeswoud. Tussen het dorre riet had onze papa een paal in de grond geslagen met een stuk meubelplaat erop waarop hij het vuurwerk ging aansteken. Zingende Slangen, Fluitende Krokodillen, Sneeuwbloemen, Duivels in Doosjes, Chukoo Chukoo's, Zilvermijnen, Toverlampen van Aladdin spoten hun gouden en zilveren sterren knallend en knetterend de lucht in of kronkelden sidderend door de dorre planten en doofden uit in wolken van vonken die heel lang bleven nagloeien alsof we een tuin vol glimwormen hadden. En alles zag je nog eens in de vijver weerspiegeld, maar door elkaar gezwalkt door de wind op het water tot gouden en zilveren penseelstreken met groene, rode en felblauwe spetters ertussen. En we hoorden onze papa tegen onze mama zeggen dat Monet, waar we vorig jaar in Parijs zoveel schilderijen van hadden gezien, beslist in een Chinese vuurwerkfabriek stage had gelopen voor hij al die bloeiende waterlelies was gaan schilderen. En tegen ons zei hij, zeker omdat het Van Goghjaar nu ook afgelopen was, dat hij het sterke vermoeden had dat Vincent van Gogh zijn oor er niet zelf afgesneden had maar dat hij er door een Komeet Raket afgerukt was waar hij de achtergrond van de man voor de sterrenhemel mee wilde schilderen. En hij vertelde ons dat hij vroeger op school altijd in het speelkwartier over de polder keek naar een bosje zilvergroene wilgen waar de vuurfabriek van Katz in stond. Want daar ging zo vaak een loods waar ze weer aan het experimenteren waren de lucht in, dat het een paar keer is voorgekomen dat hij op klaarlichte dag schilderijen van Kandinsky de hemel in zag schieten.

Toen we later van dodelijke vermoeidheid niet in slaap konden komen zagen we tegen het plafond en de muren van ons kamertje steeds al die gouden en zilveren spetters. Het was net of het op je ogen zat.

De volgende ochtend waren al die toverachtige felgekleurde kartonnen bussen en piramiden al verbleekt door de regen. Ze stonden heel eenzaam in een plasje roodgekleurd water.