Wat he'w' gelukkig ewas; essays en gedichten van Willem Willink

Willem Wilmink: Wat ik heb gevonden, je raadt het nooit. Vijftien opstellen over schrijvers in onze taal. Uitg. Bert Bakker. 128 blz. Prijs fl. 24, 90.

Willem Wilmink: Moet worden gevreesd dat het nooit bestond? 34 nieuwe gedichten. Uitg. Bert Bakker. 44 blz. Prijs fl. 19, 90.

Toen Gerbrant Adriaenszoon Bredero in 1618 stierf, veel te vroeg, schreef zijn bedroefde vader achterin een boek: 'garbrandt adrianssen bredero is ghestoruen den 23 august anno 1618'. Voor de datum is iets doorgekrast. Onder de krassen valt te lezen: '16 maart'. De vader had eerst per ongeluk de geboortedatum van zijn zoon ingevuld: 'alsof het leven van zijn zoon nog moest beginnen', zo merkt Willem Wilmink op in een kort opstel over de dichter. En hij laat erop volgen dat deze betekenisvolle verschrijving van Bredero's vader 'ons plotseling heel dicht bij een tijd brengt die vaak zo ver weg lijkt.'

Het opstel is te vinden voorin Wilminks nieuwe essaybundel. Achterin staat een stuk over de dichter Jean Pierre Rawie. De laatste zin daarvan, tevens de laatste zin van het boek, luidt: 'Gezet naast het werk van Rawie maakt veel vrije, moderne en modieuze poezie een hopeloos verouderde indruk.' Nu is dit een hopeloos krasse want hopeloos algemene bewering, maar daar gaat het niet om. Het gaat om het mooie verschijnsel dat een dichter uit het begin van de zeventiende eeuw vier eeuwen later tot leven kan komen, terwijl zijn twintigste-eeuwse collega's een gedateerde indruk kunnen maken.

Het gaat dus om Wilminks tijdloze smaak. Hij zoekt in alle tijden en in alle talen en hij zoekt natuurlijk naar wat hij mooi vindt: meestal poezie, soms proza, vaak handelend over het kind en over wat er in de zogenaamde volwassenheid van het kind is overgebleven, en altijd verstaanbaar, geestig, ontroerend en toegankelijk. Wat hij heeft gevonden presenteert hij onder de aan Hendrik de Vries ontleende titel Wat ik heb gevonden, je raadt het nooit.

De ondertitel van deze bundel luidt dan wel 'vijftien opstellen over schrijvers in onze taal' en in de inhoudsopgave staan ze dan wel keurig chronologisch gerangschikt, maar met de aldus gesuggereerde methodische aanpak valt het nogal mee. Alleen al op de eerste twee pagina's wordt ruim geciteerd uit Van Sente Brandane, het bijbelboek Numeri, de Odyssee en uit het werk van Nijhoff en Coleridge. Tot de besprokenen behoren onder anderen Anthonis de Roovere en Theo Thijssen, J. H. Leopold en Louis Davids, Herman Gorter en Ischa Meijer. En hun werk wordt even gemakkelijk met Heine en Kafka in verband gebracht als met de sprookjes van Andersen en Grimm, een rondeel van Hans Dorrestijn of de muziek van Tom Waits. En of het nu gaat om een bijdrage voor De blauw geruite kiel, een artikel voor NRC Handelsblad, een inleiding bij de Mei van Gorter of een lezing voor een zaal met studenten - in alle gevallen schrijft Wilmink hetzelfde soort stuk: persoonlijk, aanstekelijk, met veel geestige anekdotes en aardige terzijdes en zonder voetnoten. Want voetnoten zijn voor de wetenschap en daartegen koestert Wilmink al heel lang een gezond wantrouwen. Dat valt bijvoorbeeld te lezen in de laatste strofe van het lange verhalende gedicht 'Eerstejaars in Amsterdam': 'Maar als je dan weer naar college ging, - was er geen plaats voor die bewondering, - want letterenstudenten moeten leren- om zonder warmte dingen te beweren, - waarbij in elke zin een voetnoot hoort.'

Er vallen veel meer lijnen te trekken tussen Wilminks opstellen en zijn gedichten, en dat ligt ook wel voor de hand bij iemand die zo dichterlijk de essayistiek bedrijft en die vast niet zonder reden zijn nieuwe essaybundel vergezeld laat gaan van een nieuwe dichtbundel, met een al even lange en lelijke titel: Moet worden gevreesd dat het nooit bestond? Zoals Wilmink zich in zijn opstellen verre probeert te houden van voetnotengeleerdheid, zo houdt hij zich in zijn bundels verre van de voetnotenpoezie. Hij schrijft gedichten en liedjes die niet beter gekarakteriseerd kunnen worden dan met het adjectief tijdloos: alsof ze er altijd al waren, voor een leeftijdloos publiek. Aan zijn negentien gedichten voegt hij hier vijftien vertalingen toe, al evenzeer uit alle eeuwen en alle genres, in zijn eigen idioom dat nergens verraadt dat het om vertalingen gaat. Het laatste 'eigen' gedicht, een aan 'Wobke' opgedragen bespiegeling over een echtpaar in de trein, wordt hier probleemloos gevolgd door de eerste vertaling, van een Chinees bruiloftslied uit (+-) 1150 v. Chr.

Wilminks werk moet nogal eens verdedigd worden tegen de aantijging als zou het slechts 'light verse' zijn. Ook de flaptekst van zijn nieuwe bundel doet daar aan mee, door weer eens het onderscheid te maken tussen 'de grote onverstaanbaren' en toegankelijker dichters als Wilmink die 'bij literaire samenkomsten niet door dezelfde deur naar binnen' zouden mogen. Dat is de kwestie natuurlijk niet. De kwestie is het verschil tussen goed en slecht. Er is goede en slechte eenvoudige poezie, zoals er ook goede en slechte moeilijke poezie is. Dat Wilmink een lang en lovend stuk over de laatste bundel van Rawie schrijft, komt ook omdat Rawies poezie eenvoudigweg beter, persoonlijker, tijdlozer, kortom: minder light is geworden. Van de andere kant hoeft ook niet verzwegen te worden dat Wilminks laatste bundel enkele gedichten en vertalingen bevat waaraan weinig te beleven valt. Ze zijn niet zozeer te licht of te eenvoudig, maar gewoon van een te bekend type: het type waarvan er dertien in een dozijn gaan. Dit is een door Wilmink vertaald fragment uit Mozarts Die Entfuhrung aus dem Serail. Er is niks mis mee, maar er is ook niet veel aan:

Wie een liefje heeft gevonden

dat nog weet heeft van fatsoen,

moet met kussen haar belonen,

zich een ware vriend betonen,

en haar troosten met een zoen.

Trallalera, trallalera.

In een ander vertaald gedicht, van Robert Burns, zegt een oudere vrouw tegen haar man niet veel meer dan dat ze vroeger jong waren en nu niet meer en dat ze daar maar in moeten berusten. Het enige bijzondere is dat Wilmink het in het Twents vertaalde, waardoor het alsnog een zekere intimiteit krijgt: 'Jan Pieterson, mien jong... Jan... -wat he'w' gelukkig ewes.'

Intimiteit, daar komt het bij dichters als Wilmink op aan, en dat maakt bij hem vaak het verschil tussen een gewoon eenvoudig en een meesterlijk eenvoudig gedicht uit. En eigenlijk zijn termen als eenvoudig en moeilijk dan niet meer van toepassing. Zie maar eens het even simpele als ingewikkelde titelgedicht, dat beschrijft wat er gebeurt als een dichter probeert intiem te zijn. Hij maakt zijn verleden voor vreemden herkenbaar, maar deze intimiteit leidt bij hemzelf en de zijnen tot vervreemding, en tot de verwarrende vraag of het verleden ooit wel zo bestaan heeft:

Wat is er van mijn verleden

geworden?

Ik heb het voor vreemden herkenbaar

gemaakt.

Maar de weinigen die erbij zijn

geweest

en die nog leven, ze kijken zo raar,

herkennen zo weinig. Moet worden

gevreesd

dat het nooit bestond? Is er niets van

waar?

    • Guus Middag