Warenwetgeving

De belangrijkste pijler waarop de Europese Gemeenschap rust is de gemeenschappelijke markt: de nationale markten van alle deelnemende landen zijn - van Texel tot de Peloponnesus - verenigd tot een markt met de kenmerken van een binnenlandse markt. Dit betekent dat produkten - of het nu om machines, speelgoed, levensmiddelen of meubels gaat - in beginsel ook maar een keer 'op de markt' worden gebracht. Anders gezegd: een produkt van bij voorbeeld Italiaanse oorsprong dat in die lidstaat met inachtneming van de daar geldende voorschriften in het economisch verkeer is gebracht, kan niet zo maar door een andere lidstaat worden geweerd. En zeker niet op de enkele grond dat een dergelijk produkt niet voldoet aan de kwaliteitseisen van het importerende land.

Dit alles volgt uit artikel 30 van het EEG-Verdrag dat het vrij verkeer van goederen binnen de EG beschermt. Een bepaling die bovendien in de rechtspraak van het Europese Hof in de loop der jaren is ontwikkeld tot een belangrijk instrument tegen al dan niet verkapte handelsbelemmeringen. Belangrijk, omdat particulieren en bedrijven zich rechtstreeks op deze bepaling kunnen beroepen wanneer nationale instanties hun handelsactiviteiten beperken. Maar ook belangrijk, omdat het Europese Hof het verbod van artikel 30 heel ruim toepast. Daaronder valt elke handelsregeling die het vrij verkeer van goederen binnen de EG direct of indirect, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. Op dit verbod is, vooral in de sector van levensmiddelen, al menig nationaal kwaliteitsvoorschrift gesneuveld.

Dat het Europese recht aldus nationale kwaliteitsnormen als het ware uitschakelt, vindt men meestal niet terecht. Vooral als dat lot de soms onbegrijpelijke warenwetgeving van andere lidstaten treft. Zo heeft ook Nederland verheugd vastgesteld dat de Bondsrepubliek haar grenzen moest openstellen voor bier, zelfs wanneer dat bier niet op de traditionele Duitse wijze was gebrouwen. En voor het feit dat Italie de verkoop moet toestaan van pasta waarin geen durumtarwe is verwerkt, zal het Nederlandse ministerie van landbouw ook wel alle begrip hebben gehad.

Maar hoe zit het nu met de Nederlandse warenwetgeving? Nu de rechtspraak van het Europese Hof op dit gebied inmiddels vaste vormen heeft gekregen en glashelder is, mag zo langzamerhand toch worden aangenomen dat de toepassing van eigen kwaliteitsnormen daarop wordt afgestemd. Die veronderstelling lijkt niet erg gegrond. Zo hebben wij tot voor kort een voorschrift gehad dat de aanduiding 'jenever' reserveerde voor dranken met een minimum alcoholgehalte van 35 procent. Dit voorschrift had tot gevolg dat Belgische jenever die een alcoholpercentage heeft van 30 ('de slappe borrel') in Nederland niet mocht worden verkocht, althans niet als 'jenever'. En wie koopt nu jenever als dat niet op het etiket staat? Ook hier kon alleen een procedure via het Europese Hof bereiken dat de import van een Belgisch produkt niet langer werd belemmerd.

In 1989 moest een Bredase winkelier zich bij de politierechter verantwoorden voor de verkoop van exclusieve, kostbare jam uit het Verenigd Koninkrijk. Hem werd aangewreven dit produkt te hebben verkocht zonder Nederlandstalig etiket, wat in strijd was met een 'Aanduidingenbesluit'. De politierechter zag dit gelukkig anders: 'snob appeal marmalade' en een Nederlands etiket gaan niet samen, terwijl de Nederlandse consument door een Engels etiket op een jampot (die in een rek bij andere jams staat) niet zo in verwarring raakt als het Openbaar Ministerie veronderstelde.

Incidentele voorbeelden? Vermoedelijk niet. Eind vorig jaar moest het Europese Hof er opnieuw aan te pas komen. Dit keer betrof het een Almelose winkelier, die uit de Bondsrepubliek afkomstige vleespasteitjes en worsten had verkocht als 'vleeswaren'. Die aanduiding had hij niet mogen gebruiken, omdat het watergehalte van deze produkten niet voldeed aan de bepalingen van het 'Vlees- en Vleeswarenbesluit'. De produkten waren wel in overeenstemming met de Duitse kwaliteitsvoorschriften op de markt gebracht. In antwoord op vragen van de Almelose politierechter herhaalde het Europese Hof vervolgens de boodschap die het al jaren uitzendt als dit soort produkten in de exporterende lidstaat als vleeswaren mogen worden verkocht: dat moet dan ook in de importerende lidstaat kunnen. Als die laatste het wenselijk vindt de consument op een lager of hoger watergehalte te wijzen, dan ook een etiketteringsvoorschrift dat resultaat bereiken.

Voor beoefenaars van het Europese recht is zo'n uitspraak natuurlijk geruststellend: de koers van de doctrine is ongewijzigd gebleven. Veel minder geruststellend is echter dat ondanks deze duidelijke koers in Nederland winkeliers en handelaren kennelijk vervolgd blijven worden wegens overtreding van warenwetgevingsvoorschriften die hetzij achterhaald zijn hetzij niet (meer) klakkeloos kunnen worden toegepast. Zolang het Openbaar Ministerie overdag en tegen beter weten in verkopers van Engelse jam of Duitse worst blijft vervolgen - terwijl 's avonds in het NOS-journaal politici in snelle mobielen over het scherm flitsen op weg naar belangrijke zaken als een pan-Europees energiebeleid of een monetaire unie - is het Europa van 1992 in elk geval nog lang niet in zicht.