'Met mijn talent had ik meer gekund'

Zondagavond geeft de negentienjarige Russische pianist Jevgeny Kissin (19) een solorecital in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. “Iemand het talent geven van een goede concertpianist, is een beslissing van de natuur. Pianospelen is het enige wat ik kan, en het is wat ik wil.”

AMSTERDAM, 11 jan. - Hoe is iemand op deze leeftijd in staat om zo'n ongelofelijke muzikale diepgang in zijn pianospel te bereiken, vroeg een verbaasde Amerikaanse journalist vorig jaar na het debuut van Jevgeny Kissin in Carnegie Hall. “Voor mij is het vanzelfsprekend”, reageerde de toen nog achttienjarige Russische pianist. “Begrijp me niet verkeerd, het is geen onbescheidenheid. Maar met mijn talent had ik al veel meer kunnen doen dan ik heb gedaan.” Meer? Maar wat dan, is een argeloze lezer geneigd zich af te vragen.

Jevgeny Kissin werd op 10 oktober 1971 in Moskou geboren. Toen hij twee jaar was, begon hij al voorzichtig op de piano te improviseren en na te spelen, bij voorbeeld zijn moeder, die pianolerares is en het talent van haar zoon ontdekte. Vier jaar later werd Kissin aangenomen op de Gnessin-school voor jeugdig muziektalent in Moskou. Op tienjarige leeftijd debuteerde hij in het openbaar met een pianoconcert van Mozart. Een jaar later gaf hij zijn eerste solorecital in Moskou, waar hij in 1984 ook de twee pianoconcerten van Chopin uitvoerde - concerten die zijn opgenomen en op cd verschenen. In 1985 trad Kissin voor het eerst op buiten de Sovjet-Unie en vanaf 1987 geeft hij regelmatig concerten over de hele wereld: in Japan, Italie en Israel, in Berlijn, Salzburg, Wenen, Londen en New York. En in Amsterdam, waar hij op 16 december 1989 met het Concertgebouworkest onder leiding van Christoph von Donhanyi het Eerste pianoconcert van Sjostakovitsj speelde.

Dat pianoconcert had hij al verschillende keren uitgevoerd, en het begon hem inmiddels zelfs wat te vervelen, vertelde Kissin later. Maar twee dagen voor het concert stierf Andrej Sacharov en dat veranderde alles. “Ik speelde het laatste deel altijd met een bijna luchthartige en enigszins sarcastische toon, “ aldus Kissin. “Na het nieuws over Sacharov had ik het merkwaardige gevoel dit concert al minstens tien jaar niet meer te hebben uitgevoerd. Het kreeg plotseling een tragische ondertoon.”

Kissin is niet bang om zijn interpretatie, desnoods tijdens een uitvoering, aan te passen aan een onverwacht opkomend idee. Het nemen van risico's gedurende een recital is gevaarlijk, maar maakt iedere uitvoering wel tot een bijzondere gebeurtenis. Bovendien vindt Kissin dat zijn stijl nog steeds in ontwikkeling is en beschouwt hij uitvoeringen als een integraal onderdeel van zijn studie. Vandaar misschien dat zijn pianolerares, Anna Pavlovna Kantor van de Gnessin school, hem nog steeds zo veel mogelijk op zijn concertreizen volgt.

Kantor heeft Kissin vanaf het begin onder haar hoede gehad. Haar leerling is daardoor nooit naar het Moskouse Conservatorium gegaan. Volgens Harold C. Schonberg, criticus van de New York Times en schrijver van het boek The Great Pianists, kreeg Kissins uitzonderlijke talent juist daardoor de kans om zich te volledig te ontplooien. Want op het conservatorium zou de jonge pianist waarschijnlijk zo snel mogelijk zijn klaargestoomd voor concoursen. En Schonberg laat er geen misverstanden over bestaan, waartoe dat zou hebben geleid: “Het betekent een heldere stijl, strikt gehoorzamen aan de partituur, een harde klank, op het gevaarlijke af, en meer aandacht voor de muzikale architectuur dan voor de emotionele betekenis van de muziek. Kortom: het betekent verveling.”

Kissin past volgens Schonberg daarentegen in de romantische Russische pianotraditie. En hij is niet de enige die er zo over denkt. Regelmatig keert in recensies een verwijzing naar Horowitz terug. Kissin zelf is daar nuchter over: “Hoe kan er sprake zijn van een Russische traditie als die zulke verschillende pianisten heeft voortgebracht als Sofronitsky, Gigels en Richter.”

Ondanks deze relativerende opmerking, komt de vergelijking niet uit de lucht vallen. Want bij het beluisteren van de cd's die tot nu toe van hem zijn verschenen (pianoconcerten en solowerken van Chopin, Mozart, Sjostakovitsj, Prokofjev en Rachmaninov, en een live-opname van zijn debuut in Carnegie Hall, met vrijwel hetzelfde programma als komende zondag in Amsterdam) treden juist die eigenschappen op de voorgrond, die de Russische school een opvallende plaats geven in de uitvoeringstraditie van het pianospel. Kissin speelt vitaal en zelfverzekerd, is niet bang voor vloeiende, maar eigenzinnige tempowisselingen. Hij bereikt een mooi evenwicht tussen akkoorden en de melodische lijn. Dat alles geeft zijn interpretaties een opvallend zangerige en poetische toon, zonder overigens te vervallen in een slepend tempo. Integendeel, Kissin houdt van relatief snelle, maar nooit te gehaast klinkende tempi. Misschien klinkt juist daarin een soort gezonde jeugdige overmoed door.

Ondanks zijn jonge leeftijd, ontwikkelde Kissin inmiddels een persoonlijke stijl. Al heeft hij natuurlijk zo zijn voorkeuren: “Niemand speelt Bach zo mooi als Gould of Busoni, Beethoven zoals Schnabel of Kempff, Chopin zoals Rubinstein, Liszt zoals Horowitz en Rachmaninov zoals ... tja, zoals Rachmaninov.”

De cd's van Kissin verschenen bij Melodia-Eurodisc en RCA.

    • Paul Luttikhuis