Marathonschaatser Van Wijhe (45) doet een stapje terug; Dolle Dries' angst voor de messen

KERKDORP, 11 jan. - Eigenlijk had hij het zich afgelopen zomer al voorgenomen. Toen hij zondag op de Amsterdamse Jaap Edenbaan voortijdig de strijd moest staken omdat het tempo te hoog lag, wist hij het zeker: het wordt tijd om een stapje terug te doen. De 'Keizer van Kerkdorp', zoals zijn bijnaam luidt, doet troonsafstand. 'Dolle' Dries van Wijhe (45) schrijft zich volgend jaar in bij de veteranen. In elk geval tot medio '92, wanneer zijn contract bij Wehkamp afloopt, zal hij zijn bekende strijdlust botvieren op schaatsende legenden als Jeen van den Berg, Egbert Vossebelt en Jan Roelof Kruithof.

In zijn bescheiden paleisje, een luxueuze woonwagen zonder wielen die z'n definitieve rustplaats heeft gevonden naast de boerderij van zijn broer, kijkt Dries van Wijhe bedachtzaam uit over het vlakke Noordgelderse landschap. In een vrolijke stemming laat hij zijn enerverende carriere van wielrenner en (marathon)schaatser nog eenmaal de revue passeren. De vrijbuiter Van Wijhe heeft altijd maar een doel in z'n leven gehad: de sport. Daartoe was hij bereid met zijn vrouw, een ex-marathonschaatsster, en kind, sober te leven.

“Ach, wat heb ik te klagen”, haalt hij zijn schouders op. “Onder mijn huisje lopen buizen met gas, electriciteit en water naar het agrarisch bedrijf dat mijn ouders hebben opgezet. Daar tap ik gratis vanaf. De groente kost ook al niks, die verbouw ik zelf in de tuin. En af en toe wordt op de boerderij een stiertje geslacht. Wat wil je nog meer? Veel sporters zullen zich doodlachen als ze horen wat ik met schaatsen verdien. Maar in combinatie met een zaterdag postbestellen kan ik ermee leven. Straks zal ik misschien bij de PTT twintig uur moeten gaan werken.”

Fiscus

Het was de notabene de fiscus die hem afgelopen zomer met de neus op de feiten drukte. “Ik kreeg een telefoontje van de belastinginspecteur uit Harderwijk. Ik schrok, want als die gaan vrutten en groaven... 'Meneer van Wijhe, u bent vergeten uw premies en prijzengeld op te geven.' Ik zei: dan zijn we gauw klaar, want ik heb vorig seizoen misschien honderd gulden verdiend. Later bleek dat ik al mijn bijverdiensten - ik geef nog weleens een lezinkje - had moeten optellen bij mijn sponsorinkomsten. 'Maar', zei de inspecteur, 'we zullen de zaak laten rusten, want het is met jou toch een aflopende zaak'. Ik dacht: nu gaat het toch wel heel slecht met me. Als de belasting zo redeneert ben je in feite dood en begraven.”

Grijnzend trekt Dries van Wijhe aan zijn sigarenpeuk. De schaatser heeft een onwaarschijnlijke longinhoud, maar rookt vier sigaren per dag en drinkt op z'n tijd een borreltje. “Dat doe ik al vanaf mijn veertiende. Sigaren zijn beter dan sigaretten, die gaan niet naar binnen. Dat kan toch, als je zoals ik in de vrije natuur leeft. Die luchtvervuiling is veel ongezonder. Wanneer ik een keer in de stad ben, krijg ik meteen een pijnlijke strot. En als je ziet wat je af en toe inademt aan uitlaatgassen, dan kun je op dat moment wel tien sigaretten roken.”

Van Wijhe was twintig jaar lang op nationaal niveau een verdienstelijk wielrenner. Daarmee begon zijn sportcarriere. Maar dat wedstrijdfietsen werd in het christelijke milieu van Kerkdorp, dat bestaat uit vier huizen en een cafe, met afgrijzen begroet. “Ik was een asociaal figuur. Wielrennen had door doping en professionalisme een nare klank. Mijn pa heeft vele keren m'n fiets in elkaar willen slaan. Later begon mijn zus ook met wielrennen. Toen kon het wel, ik had het baanbrekende werk gedaan. Ik heb nog een keer problemen gehad met de gemeenschap hier. Dat was toen ik me liet sponsoren door een sexclub uit Zwolle. Ik dacht: dat komen ze toch niet te weten, maar het nieuws haalde alle voorpagina's van de kranten. Ik was net amateurkampioen van Nederland geworden (1973) en op een hooiwagen het dorp binnengeleid. Een week later praatte niemand meer met me en werd ik nagewezen. Uit respect voor m'n ouders heb ik het contract maar verscheurd.”

In 1979 was Van Wijhe nog een halfjaar wielerprof. Voor het strenge regime van Pellenaars en Vissers haalde hij zijn neus op. Gevolg: een bescheiden profcontractje viel hem ten deel bij een Brabantse firma in hondebrokken. “Ik kon niet wennen aan ploegentaktiek. Daarvoor was ik te lang een pure sporter geweest. In de ploeg waarvoor ik uitkwam mocht iedereen winnen, maar niemand kon winnen.”

Honderduit praat Dries van Wijhe vervolgens over het marathonschaatsen dat de afgelopen twintig jaar zijn leven beheerste.

De angst. “Ik weet wel, marathonschaatsen is een bevroren snor, bloed in de baard en dikke knieen, maar toch... In 1971, tijdens de alternatieve Elfstedentocht in Lillehammer, sneed een schaats mijn keel open. Ik lag moederziel alleen op het ijs en als Theo Koomen me niet had gered was ik waarschijnlijk doodgebloed. Daar heb ik nog steeds nachtmerries van. Zoals de mensen die de Japanners in Indie tijdens de oorlog hebben meegemaakt dat ook nooit vergeten. Het beangstigt me als ik tegenwoordig die messen zie voor de wedstrijd. Het gedrang bij de start benauwt me. Ik foeter als iemand binnendoor gaat. 'Pas toch op', roep ik dan. Terwijl ik vroeger drie keer zo gek deed.”

De Elfstedentocht. “Daaraan had ik een broertje dood. Ik kan totaal niet klunen, daarvoor heb ik te zwakke enkels. De rijders worden een beetje misbruikt. Voor de start word je in een kooi gedouwd. De laatste keer moest ik naar de wc. Een man zei: als je eruit gaat kom je er niet meer in. Ik heb het toen maar opgehouden tot we uit het zicht waren verdwenen. Sipkema lijkt in die periode wel keizer Nero. De tocht der tochten is heilig, daar moet je niet aankomen. In 1985 ging het eerst niet door. Een weekblad legde tien mille neer als we wel reden. Ik was blij dat er uiteindelijk toch een Elfstedentocht kwam, want voor dat bedrag wilde ik wel een paar klappen oplopen, maar geen hooivork in m'n bast hebben. Die Friezen hadden ons van het ijs geramd. Toen we op de ochtend van de eerste Elfstedentocht wakker werden, regende het. Enkele rijders van mijn ploeg sprongen een gat in de lucht. Ze hadden er al die jaren op kunstijs naar toegeleefd, maar waren nu blij dat ze de gevaren in de duisternis niet hoefden te trotseren. Ze moesten er toch aan geloven. De Elfstedentocht is alleen leuk voor de mensen aan de kant. Ik moest er ook om lachen. Al die Friezen die een traantje wegpinkten bij het volkslied, terwijl het normaal zulke stugge gevallen zijn.”

Mondialisering. “Daar geloof ik niet in. Het marathonschaatsen op kunstijs blijft een Nederlandse aangelegenheid. Wij liggen te ver voor op het buitenland. Als een wereldkampioenschap wordt georganiseerd doet er misschien nog een verdwaalde Belg of Italiaan mee. Op dit moment zit het marathonschaatsen in Nederland in een diep dal. Het publiek bestaat nog voornamelijk uit familieleden; anderhalve man en een paardekop. De Landelijke Technische Commissie doet er alles aan om het weer interessant te maken, maar het probleem is dat de rijders door de sponsoring en de betere medische verzorging racewagens zijn geworden. De koers wordt beslist door sprinters als Van Kempen en Kramer. Zij wachten tot de laatste meters op hun kans. Geef ze eens ongelijk. Als je wilt demarreren moet je rondjes van 29 rijden. Dat kan niemand. De enige redding van het marathonschaatsen zou de komst van een nieuwe heerser zijn, zoals Emiel Hopman. Een jongen die het hele spul naar huis rijdt.”

Krentenbrood

Mooiste overwinning. “Dan moet ik toch weer teruggaan naar mijn wielercarriere. En wel mijn eerste koers in 1962 in Epe. Ik werd derde, maar ik dacht dat ik er al was. Eddie Merckx kan zich met al die Tourzeges nooit trotser hebben gevoeld. Ik kreeg een bekertje en een krentenbrood. Ik heb daarna nog honderden trofeeen gewonnen, maar dat ene bekertje heeft voor mij nog steeds de meeste waarde. Ik heb tien keer het Wilhelmus gehoord voor een Nederlandse titel, daar kon ik geen traan om laten. Echter, als ik aan die dag in 1962 terugdenk krijg ik nog een brokje in de keel.”

De toekomst. “Er is mij al gevraagd ploegleider te worden. Dat is niets voor mij. Daarvoor moet je keihard zijn en kunnen zeggen: 'Zo moet het en anders hoepel je maar op.' Ik kon vroeger zelf nooit in het gareel lopen en dan kan ik nu moeilijk iemand iets gaan opleggen. Nee, ik wil best als een soort verzorger optreden. Een rijder een jack aangeven, of zo. Dat ligt me beter.”