Kees Fens over het genot van boeken kopen; Vandaag ga ik dronken worden

“Als ik een dag of twee niet lees, krijg ik ontwenningsverschijnselen”, zegt Kees Fens, hoogleraar Nederlandse letterkunde en essayist. Thuis heeft hij tienduizend boeken maar hij is nog steeds nieuwsgierig naar iedere nieuwe uitgave die hij tegenkomt. “Ik zit in de trein niet rustig eer ik weet in welke boeken mijn medepassagiers zijn verdiept.”

“Als jongetje hield ik me met twee dingen bezig: tekenen en op straat spelen. We hadden thuis geen boeken en het lezen werd niet aangemoedigd. Wel werd me veel voorgelezen en dat heb ik allemaal goed onthouden. Ik herinner me nog steeds zinnetjes uit kinderboeken die ik hoorde toen ik ik drie, vier jaar oud was. Een zin als 'Het is dichtbij en het is veraf', uit Okkie weet raad van Leonard Roggeveen, die vind ik nog steeds erg mooi en geheimzinnig.

“Later, op het gymnasium, was ik helemaal niet goed in Nederlands. Ik kon geen opstellen schrijven en ik interesseerde me niet voor literatuur. Waar ik wel belangstelling voor had, was geschiedenis en vooral klassieke talen.

“Pas rond mijn achttiende ontdekte ik de Nederlandse literatuur. Bladerend in een schoolboek stuitte ik op een historisch gedicht van Slauerhoff, Chlotarius, dat speelde in de voor-Karolingische tijd. Achteraf vind ik het niet zo'n goed gedicht, maar het is het wel eerste dat ik vrijwillig las. Het was een openbaring voor me dat je door een tekst ook ontroerd kunt worden.

“Na de middelbare school deed ik noodgedwongen m.o. Nederlands, omdat ik studeren met een baan moest combineren. Aan de universiteit had ik zeker gekozen voor geschiedenis of klassieke talen. Gelukkig kreeg ik later volop de gelegenheid om me daar weer aan te wijden: ik houd me graag bezig met de middeleeuwen en met oud-christelijk Latijn en Grieks.”

Dat gaat gepaard met veel, heel veel lezen?

“Dat valt eigenlijk wel mee. Ik heb nooit zo vreselijk veel gelezen, maar wat ik las, onthield ik allemaal goed. Daardoor wek ik soms de indruk dat ik veel gelezen heb. Ik heb lange tijd volgehouden om elke dag een uur of vijf, zes te lezen, maar ik lees niet zo snel en de laatste jaren is het teruggelopen. Door de grote regelmaat is het lezen wel een psychische noodzaak geworden. Als ik een dag of twee niet lees, krijg ik ontwenningsverschijnselen, als iemand die verzuimt om zijn medicijnen in te nemen.”

Welke verschijnselen zijn dat?

“Ik word dan onrustig en een beetje gespannen. Langzaam en aandachtig lezen is voor mij letterlijk een vorm van ontspanning. Het maakt me stil, het is een vorm van contemplatie waar ik kennelijk moeilijk buiten kan. Door niet te lezen doe ik mijn natuur geweld aan.”

Waar begint het leesplezier?

“In de boekhandel. Bloem heeft eens gezegd dat een boek kopen nog leuker is dan een boek lezen. Daar ben ik het geheel mee eens. Als ik in een boekwinkel ben en ik koop het een en ander, dan bezorgt mij dat een staat van geluk die door bijna niets te evenaren valt. Ik ga te werk als een eekhoorn die van allerlei eetbaars verzamelt, maar dat lang niet allemaal gebruikt. Ik sla in zonder te weten voor welke tijden.

“Mij bekruipt vaak het gevoel dat mijn bestaan niet af is wanneer een bepaald boek er niet ook bij is. Of ik het zal lezen of niet doet niet ter zake, de wetenschap dat ik het heb en dus elk moment kan gaan lezen, maakt me al gelukkig. Ik bezit de complete Russische Bibliotheek van Van Oorschot, voor een deel ongelezen. Daar sta ik dan geregeld naar te kijken met de geruststellende gedachte: eens komt de tijd.”

Het willen hebben van een boek maakt dus deel uit van het leesgenot?

“Beslist. Gisteren kreeg ik met de post de voorjaarsaanbieding van Cambridge University Press, waarin een boek staat aangekondigd van de medievist R. W. Southern over de Heilige Anselmus. Zodra ik dat lees, gebeuren er twee dingen. Een: ik verlies mijn vrije wil, want dat boek wil ik hebben. Twee: ik wil het ook meteen lezen omdat ik me voor Anselmus sterk interesseer en ik die Southern ontzettend bewonder. Ik moet dan meteen de boekhandel bellen om te bestellen.

“Het vervelende met bestellen is, dat er altijd een paar weken overheen gaan eer je het boek in je handen hebt. Soms is het moeilijk om je vurigheid te bewaren, want in de tussentijd kom je natuurlijk weer andere boeken tegen. Ideaal is het, om in de boekhandel tegen een boek aan te lopen en het meteen te kunnen kopen. Ik heb thuis al tienduizend boeken, maar het wonderlijke is dat elke nieuwe aankoop me nog steeds intens gelukkig maakt.”

Dat lijkt verdacht veel op verslaving.

“Ja, het is te vergelijken met drankzucht. Soms sta ik op met de gedachte: vandaag ga ik dronken worden, boeken kopen. En een enkele keer kom ik wel eens met lege handen thuis, en dat bezorgt me dan een kater van onthouding.”

Is dat eigenlijk niet meer bibliofilie dan leeshonger?

“Toch niet. Ik ben geen verzamelaar en geef niets om volledigheid of eerste drukken. Het boek is voor mij een gebruiksvoorwerp en het kan me niet zo veel schelen hoe het eruitziet. Het gaat om de inhoud. Het geluksgevoel bij aankoop zit hem niet zozeer in het bezit alswel in de mogelijkheid het op elk gewenst moment te kunnen lezen. Ik koop veel meer dan ik kan lezen, maar de mogelijkheid van het lezen is even belangrijk als het lezen zelf.”

Dat geluksgevoel bezorgen bibliotheekboeken niet?

“Nee. Ik durf het als hoogleraar nauwelijks te zeggen, maar ik kom zelden in een bibliotheek. Bijna alles wat ik nodig heb, kan ik thuis vinden. Ik leen ook niet graag boeken uit. De boeken die ik de moeite waard vind, heb ik allemaal graag om me heen. Het liefst had ik alles in een kamer staan.”

Duidt dat op een verlangen naar privacy tijdens de leesdaad?

“Dat zou best kunnen. Ik vind het niet prettig als andere mensen zien wat ik lees. Bij mijn vaste boekhandelaar koop ik op rekening, zodat ik niet in de rij voor de kassa hoef te staan waarbij anderen zien wat ik aanschaf. Daar staat tegenover dat ik altijd heel nieuwsgierig ben naar wat andere mensen lezen. Ik zit in de trein niet rustig eer ik weet in welke boeken mijn medepassagiers zijn verdiept.”

“Eigenlijk zou ieder huis een aparte leeskamer moeten hebben. In de National Gallery in Londen hangt een schilderij door Antonello da Messina van de Heilige Hieronymus in vol kardinaalsornaat in een kerkzaal met boeken, gezeten op een soort speciaal verhoginkje. Dat spreekt me geweldig aan. Uiteindelijk moet je als lezer toch iets hebben van een heremiet. Als ik alleen ben met een boek en het is nog goed ook, denk ik vaak bij mezelf: 'Goh, wat is dit allemaal fijn'.”

Als er nieuwe aanwinsten binnen zijn, wat gebeurt er dan?

“Eerst kijk ik alles door. Ik vind dat je in ieder nieuw boek op zijn minst een uur moet bladeren. Daarna leg ik de aanwinsten op een soort bankje van planken naast mijn bureau. Ze mogen nooit meteen in de kast. De boeken die ik niet meteen lees blijven daar een paar weken op liggen, ik blader er af en toe nog eens in en op een gegeven moment gaan ze in de kast. Dat moment stel ik de laatste tijd overigens steeds meer uit, want mijn boekenkasten zijn overvol.”

Waar vindt het lezen plaats?

“Aan tafel in mijn werkkamer. Ik ben opgevoed met de gedachte dat je nooit lui mag zitten. Ik deed alles aan tafel en dat heb ik nooit afgeleerd. Ik lees dus altijd met het boek plat op tafel, met een asbak op de bladzijde tegen het terugslaan. Ik kan heel moeilijk zittend lezen met het boek in de hand.”

Hoe gaat het lezen in zijn werk?

“Langzaam, met veel pauzes en nooit twee boeken door elkaar. Als ik schrijf kan ik me goed concentreren, maar bij het lezen word ik gemakkelijk afgeleid. Ik kijk om de zoveel pagina's op en laat dan het gelezene tot me doordringen. Fanatisme is me vreemd. Een boek verslinden doe ik nooit, het is meer een simultaan verorberen en verteren. Reflectie is essentieel. Als je iets leest, moet je ter plekke over het gelezene nadenken. Alleen op die manier krijgt het bij jou een plaats en kun je er later vrucht van hebben, en dat is waar het uiteindelijk om gaat. Anders ben je alleen maar een informatie-stofzuiger.

“In het hoger onderwijs wordt er helaas alles aan gedaan om de studenten zulke reflectie tegen te maken. Uw krant wijdt wekelijks twee katerns aan cultuur, met stukken die veel reflectie vooronderstellen. Het curieuze is dat er tussen de geest van die artikelen en de universiteit een tegenstelling is ontstaan.”

Noodzaakt die reflectie ook tot herlezen?

“Zeker. Een lezer kan met een betrekkelijk klein aantal boeken toe. Het is niet nodig om veel te lezen, wel dat je wat je leest goed tot je door laat dringen. Soms lees je een boek te jong of op een moment dat je er weinig open voor staat en dan moet je het herlezen. Oorlog en vrede las ik rond mijn eenentwintigste, terwijl ik nu pas denk dat ik er echt aan toe ben.

“Jammer genoeg kan een mens in zijn leven niet alleen maar topwerken lezen. Om het goede te leren onderscheiden, moet je je door een hoop tweederangs lectuur heenwerken. Maar de hoogtepunten verdienen het, om meerdere keren te worden gelezen. Ik denk wel eens: op je vijfenzestigste moet je stoppen en alleen nog maar herlezen. Maar je nieuwsgierigheid dwingt je toch steeds weer om naar nieuwe boeken te grijpen, en ik ben bang dat er van dat voornemen weinig terecht zal komen.”

Wat komt meer aan bod: fictie of non-fictie?

“Non-fictie. De verhalende fictie is bij mij grotendeels verdrongen door geschiedenis, biografie, essays en poezie. Ik lees duidelijk meer poezie dan proza. Je wordt zuiniger met je tijd, je wilt zo veel mogelijk informatie krijgen in zo kort mogelijk bestek en dan is poezie ideaal.”

En dat alles opdat het gelezene een 'plaats' krijgt?

“Ja. In wezen zou elke recensie tot een zin terug te brengen zijn: het is van mij of het is niet van mij. Daarom is praten over de schoonheid van een boek ook volstrekt zinloos. De opgeroepen emoties zijn niet te delen en de uiting ervan kan voor een ander zelfs hinderlijk zijn. Ik kan over een literair boek van alles opmerken - hoe de schrijver flashbacks gebruikt bijvoorbeeld of hoe hij in hoofdstuk twee overschakelt op de tegenwoordige tijd. Maar waarom de Verzen van 1890 van Gorter of de bundel Paranoia van Hermans mij nu zo verschrikkelijk aangrijpen, kan ik onmogelijk verwoorden.

“Gerrit Krol heeft eens geschreven dat je wanneer je een mooi boek aan een vriend aanbeveelt eigenlijk alleen maar kunt zeggen: dit is een mooi boek. En de vriend kan, als hij het ook mooi vindt en weer teruggeeft, eigenlijk alleen maar antwoorden: je hebt gelijk, het is inderdaad een mooi boek. Meer valt er in wezen niet te vertellen. Als je gaat proberen te formuleren waarom je een boek zo mooi vindt, krijg je krankzinnige, Pinter-achtige dialogen.”

Dan graag uitsluitend auteur en titel van het laatst uitgelezen boek.

“Minoes van Annie M. G. Schmidt. Een heel mooi boek.”