Kabinet acht oorlogsverklaring niet vereist; Inzet schepen vergt geen toestemming parlement

DEN HAAG, 11 jan. - Voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal voor eventuele inzet van de Nederlandse krijgsmacht is naar het oordeel van het kabinet niet noodzakelijk. Een voorwaarde is daarbij wel dat “de inzet geschiedt ter bescherming van de belangen van de staat, waaronder mede kan worden begrepen de bevordering van de handhaving van de internationale rechtsorde”.

Het kabinet schrijft dit in een gisteravond door Buitenlandse Zaken aan de Tweede Kamer gestuurde notitie ten behoeve van het Kamerdebat vanmiddag over de inzet van de Nederlandse schepen in de Golf. Het kabinet acht op grond van deze analyse een 'in-oorlog-verklaring', waarvoor de toestemming van de Staten-Generaal in verenigde vergadering is voorgeschreven, “juridisch niet vereist en evenmin een voorwaarde voor inzet”.

Het oordeel van het kabinet wordt gebaseerd op de Grondwetsartikelen 90 ('De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde') en 98, waarvan het eerste lid luidt: 'Ter bescherming der belangen van de Staat is er een krijgsmacht, bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen'. Het kabinet is op grond hiervan tevens van oordeel dat: “alhoewel vrijwilligheid voorop staat, kunnen dienstplichtigen verplicht worden uitgezonden”.

In de notitie aan de Kamer wordt tevens aangegeven dat er geen juridische beletselen bestaan om het commando over de Nederlandse eenheden in de Golf over de dragen aan de Verenigde Naties, “danwel aan een andere bij de crisis betrokken staat, mits het grondwettelijk oppergezag bij de Nederlandse regering blijft berusten”. In de nationale besluitvorming heeft de regering steeds het voortouw. Het parlement heeft geen vetorecht; er bestaat de normale politieke en ministeriele verantwoordelijkheid.

Hieraan wordt in de brief van het kabinet onmiddellijk toegevoegd, dat “waar fysiek mogelijk” in het licht van de omstandigheden vooraf overleg dient te worden gevoerd met het parlement. Premier Lubbers heeft dit bij de algemene politieke beschouwen begin oktober nog eens nadrukkelijk tegenover de Tweede Kamer herhaald.

In de notitie wordt aangetekend, dat in het internationale verkeer na de Tweede Wereldoorlog een oorlogsverklaring “in onbruik is geraakt”. Dit hangt naar het oordeel van het kabinet niet alleen samen met het feit dat gewapende conflicten tussen staten sinds de Tweede Wereldoorlog nog slechts in enkele gevallen als oorlog in juridische zin zijn aangemerkt, “dat wil zeggen als afzonderlijke rechtstoestand waaraan bepaalde rechtsgevolgen zijn verbonden”.

Daarnaast moet ook de ontwikkeling van het geweldsverbod in het internationale recht als een belangrijke factor worden gezien die heeft geleid tot het in onbruik raken van de oorlogsverklaring. Het Handvest van de Verenigde Naties staat het gebruik van militair geweld alleen toe in geval van een dwangactie door of met machtiging van de bevoegde VN-organen en in geval van legitieme zelfverdediging.

Resolutie 678 van 29 november 1990 machtigt “individuele lidstaten die samenwerken met Koeweit” om, indien Irak niet voor of op 15 januari 1991 aan resolutie 660 en volgende gehoor geeft, “alle noodzakelijke middelen” te gebruiken om tenuitvoerlegging van de resoluties te verzekeren en de internationale vrede en veiligheid in de regio te herstellen. De lidstaten worden voorts verzocht de gemachtigde lidstaten “geeigende hulp” te verlenen.

Het Nederlandse kabinet vindt dat “zolang agressie niet ongedaan is gemaakt dan wel een andere oplossing is gevonden” er nog geen sprake is van herstel van de internationale vrede en veiligheid. In enkele scenario's, die in de notitie worden geschetst (grootscheepse militaire aanval door Irak, een mililair incident, een militaire ingreep onder resolutie 678 en een ingreep door de VN zelf), maakt de regering duidelijk dat naar haar mening in al deze gevallen het gebruik van militaire middelen is toegestaan, mits het beginsel van proportionaliteit niet uit het oog wordt verloren.