Jaroslav Hutka's Hollands oponthoud

Hij trad op in huiskamers en alternatieve jeugdhonken, waar het publiek van mede-emigranten en welwillende jongeren - nooit meer dan een handjevol mensen - hem geduldig aanhoorde, beleefd applaudisseerde en dat wollen medegevoel toonde waarmee we ontheemden uit vreemde, verre landen zo graag toedekken. Sommigen zeiden wel: “Laat hij nu z'n haren maar eens afknippen en iets nuttigs gaan doen.”

Jaroslav Hutka was een uit Tsjechoslowakije afkomstige zanger. Zoals vele andere kunstenaars en intellectuelen in dat land was hij in conflict geraakt met de autoriteiten, die niets moesten hebben van zijn liedjes, waarin het communistische regime op verhulde wijze bespot werd. De achterdochtige kunstcontroleurs legden daarom elk woord dat hij zong onder de loep. Zo werd een lied over een roodgloeiende kachel die het huis moest worden uitgesmeten, beschouwd als een aanklacht tegen de inval van augustus 1968. Ook het jonge publiek van Hutka had aan een half woord genoeg om de inhoud van dergelijke liederen een actuele betekenis te geven. In korte tijd werd de zanger razend populair. Duizenden mensen bezochten zijn concerten, waarbij hij zichzelf op de gitaar begeleidde of werd bijgestaan door de door hem opgerichte groep Safran. Zijn langspeelplaten werden op grote schaal verkocht. De eerste plaat ontving in 1974 de prijs van de Tsjechische staatstelevisie en de tweede werd in 1976 gekozen tot de LP van het jaar, al mocht zijn naam daarbij niet genoemd worden.

Intussen zat het gezag hem steeds meer dwars en werd het al moeilijker om nog officiele concerten te geven. Maar ook de half illegale optredens, bij voorbeeld in een zaal die zogenaamd gehuurd was door de Vereniging tot Instandhouding van het Hucul-paard, bleven volle zalen trekken. Dat maakte de communistische opzichters van het culturele leven nerveus, want zo hield Hutka het protest onder velen levend. Keer op keer werd hij, onder meer naar aanleiding van het kachel-lied, door de veiligheidspolitie gearresteerd en verhoord. Toen de zanger in 1977 Charta 77 ondertekende kwam er definitief een einde aan zijn carriere. Hij kwam nu voor de keus te staan of de gevangenis in te gaan, of te emigreren. Hutka koos voor het laatste en reisde in oktober 1978 naar Nederland, waar hij zich in Rotterdam vestigde.

Hij bleef zingen, ook al verdiende hij er nauwelijks een cent mee, want hier had niemand een boodschap aan zijn liedjes. Toch hield hij hardnekkig vol en weigerde hij een ander beroep te kiezen. Dat hij voor vrijwel lege zaaltjes zong en voor een publiek, dat na een paar jaar moeite had nog langer geduld op te brengen voor zijn - in de ogen van velen gecultiveerde - persoonlijke tragedie, leek hem niet te deren. Ook zijn lange haren knipte hij niet af en hij bleef dezelfde lange slobbertrui en jeans dragen die hij al bij zijn aankomst in Nederland aan had.

Hoewel hij een paar platen uitbracht, zowel in het Tsjechisch als het Nederlands, bandjes met zijn liedjes rondstuurde en ook boekjes schreef, raakte hij in een steeds geisoleerder positie. Met de Nederlandse cultuur, laat staan met het muziekleven, had hij nauwelijks een binding en Tsjechoslowakije was ver weg. Slechts een kleine kring van getrouwen, zowel Nederlanders als emigranten, bleef hem steunen en kocht uit nostalgie of medelijden zijn werk.

Maar ook die kring werd kleiner. In 1988 zag ik Hutka in Utrecht optreden voor niet meer dan vijftien mensen. Niet veel later kreeg ik een nieuwe tape van hem, opnieuw in een Tsjechische en een Nederlandse versie, waarop hij onder meer het lot van de emigranten bezong. Een somber lied: je bleef een vreemde met een raar accent. Pogingen om de zanger en zijn nieuwe tape wat publiciteit te bezorgen faalden. Op de VPRO na was niemand geinteresseerd. Hutka dreigde een fossiel van zijn eigen verleden te worden.

Dat hij muzikaal wist te overleven was uiteindelijk te danken aan het contact dat hij al die jaren bleef houden met zijn geestverwanten in Tsjechoslowakije. Daar bleef zijn werk betekenis houden en werden de in Nederland opgenomen tapes illegaal verspreid. Hutka was er een legendarische naam. Wanneer ik in Tsjechoslowakije was gebeurde het wel dat jonge mensen, zodra ze het Nederlandse kenteken op mijn auto zagen, op me toekwamen en vroegen of ik Jaroslav Hutka kende.

Al die trouwe volgelingen verzamelden zich op zaterdag 25 november 1989 bij het vliegveld Ruzyne bij Praag om hun held op grootse wijze welkom te heten. Hoewel de zanger geen papieren bezat om het land binnen te komen had hij de gok maar gewaagd en vrienden in Praag gebeld dat hij kwam. Dat bericht had zich als een lopend vuur verspreid. De bluf van de zanger slaagde mede dank zij de aanwezigheid van een cameraploeg van Aktua, die toevallig met het zelfde vliegtuig naar Praag reisde. Voor het eerst werd Hutka als een VIP door Nederlanders behandeld. De cameraploeg legde zijn aankomst op film vast en dat verslag werd enkele dagen later door de TROS uitgezonden: achter de glazen wand van het aankomstgebouw stonden tientallen jongens en meisjes te juichen zodra ze Hutka opmerkten. Die glimlachte breed, liet zijn zo typerende korte giechel horen en pakte vervolgens zijn gitaar en begon te zingen. Buiten zong men met hem mee, want iedereen kende deze liedjes uit zijn hoofd. Een paar uur later stond de zanger naast Vaclav Havel op Letna, de vroegere grote paradeplaats in Praag, waar een demonstratie werd gehouden, en zong hij een half miljoen mensen toe. Havel fluisterde hem ten slotte in het oor: “Jarda, nog maar een liedje hoor! Dit is geen concert. We zijn immers bezig het communistische regime omver te werpen.” Want de teruggekeerde bard had nog uren kunnen doorgaan.

Een van de liederen die hij bij die gelegenheid zong was dat over een groene berk, die aangemoedigd wordt om oorlog en geweld te trotseren. Dat lied sloeg ook op Hutka en op al die Tsjechen en Slowaken die volhielden onder de communistische dictatuur. Het publiek zong dan ook uit volle borst mee: “Stuj brizo zelena!” ( “Blijf staan, groene berk!” ) Husak, Jakes en consorten werden die dag niet alleen weggedemonstreerd, maar ook weggezongen.

Ruim een maand later ontmoette ik Hutka bij een concert in een voorstad van Praag. Het kleine zaaltje was propvol met dertigers en veertigers, keurig gekleed. Ze deden me een beetje denken aan het VVD-publiek bij een concert van oude jazz, en die vergelijking blijkt ook wel te kloppen: deze generatiegenoten van Hutka behoorden tot de bewonderaars van al die traditionele vormen van cultuur die in de communistische tijd in de schaduw kwamen te staan. Zoals bij voorbeeld ook de padvinderij, vanwege de daaraan verbonden folk-music. Hutka - eindelijk kunnen ze de legende in het echt bewonderen - was van die verboden cutuurvormen ook een representant.

Zijn concert verliep niet anders dan vroeger. Een persoonlijk praatje, een politiek liedje, een volkslied uit Moravie, zijn geboortestreek. En grappige anekdotes, onder meer over Havel, nu president Havel: hoe ze eens gezamenlijk gingen zwemmem en de toenmalige toneelschrijver bloot in het koele nat dook. Het publiek schaterde, genoot en dankte de zanger met een lang applaus.

Later reden we met enkele andere vrienden naar het centrum van Praag, waar Havels verkiezing tot president gevierd werd. Hutka vertelde over zijn drukke programma. Overal wilde men hem zien optreden. Ook waren er plannen om met Marta Kubisova, de door de communisten uitgespogen, maar nu weer als een komeet teruggekeerde zangeres, een plaat met Moravische volksliederen te maken. Hutka's platen en tapes werden alweer geproduceerd en verkocht.

Die ochtend kon ik al merken hoe populair de zanger opnieuw was. Toen ik in de menigte stond die bij de Praagse burcht op de komst van de nieuwe president wachtte, begon opeens iemand zijn lied Namest (naam van een stad in Moravie, waar een zangfestival werd gehouden waarvoor Hutka dit lied schreef) te zingen en na een paar woorden zong iedereen het mee. Later zou ik het nog vaker op bijeenkomsten horen, waar het als een alternatief volkslied gezongen werd.

Na een half jaar zie ik Jaroslav weer, wanneer hij optreedt in een Oostboheems stadje. Hij is moe na een vrijwel onafgebroken reeks van optredens, interviews en een reis naar Moskou, die hem op het omslag van een van de meest gelezen tijdschriften brengt. Maar niet alleen die vermoeidheid maakt hem minder toeschietelijk dan de vorige keer. Hoewel hij uiterlijk nog precies dezelfde is met zijn John-Lennon-brilletje, lange krullen, gympen en jeans (de slobbertrui is vanwege het warme weer vervangen door een T-shirt) en ook zijn optreden hetzelfde stramien kent, is er iets in hem veranderd. Hij is geen emigrant meer, niet meer iemand die zijn gastheer dankbaar hoeft te zijn. Zojuist heeft hij zijn Tsjechoslowaakse identiteitspapieren gekregen en werd hem een woning in Praag toegewezen. Hij is definitief weer thuis en heeft eigenlijk geen boodschap meer aan de Nederlanders. Hutka is een te aardige man om dat openlijk te zeggen, maar wanneer mijn Tsjechische metgezellin uitroept dat hij schoon genoeg had van Nederland knikt hij wel bevestigend. En tijdens zijn optreden klinkt enige bitterheid over zijn vroegere emigrantenbestaan door, wanneer hij zegt: “Ze hoorden me daar met m'n slechte accent geduldig aan. Maar als ze eens wisten wat een geduld ik met ze moest hebben!”

De volgende ochtend ga ik nog even bij zijn hotel langs, maar de zanger slaapt nog. Als ik wegloop zie ik voor het hotel het busje van Hutka en zijn medewerkers staan. Ik kijk er even in. Op het dashboard ligt een pakje Hollandse shag. Gisteren in de pauze hebben we samen zo'n shagje gerold. Het is het enige dat Jaroslav Hutka aan zijn tijdelijke gastland heeft overgehouden.

    • Hans Mulder