Jager zonder akte: ik ben stroper, maar een nette

WEZEP, 11 jan. - Hij noemt zich 'jager zonder akte', anderen zouden zeggen: stroper. Zijn domein is de Veluwe, in het bijzonder de noordhoek van Nederlands grootste aaneengesloten bos- en natuurgebied, en de dieren die hij neerlegt, zijn vrijwel uitsluitend wilde zwijnen. En daarvan weer alleen de wijfjes. Zowel de biggen als de mannetjes (beren of keilers) laat hij met rust: “Keilers zijn van die prachtige, majestueuze beesten, maar hun vlees is niet te vreten.”

G. A. Nieland is de naam (de G. staat voor Gerrit of Gait), een korte, gedrongen man van 67 en woonachtig in Zwolle. Een 'kleine koopman in de autobranche', gehuld in groen en voorzien van een geweer met grove-hagelpatronen, waarmee hij van oktober tot omstreeks Kerst door de bossen en over de hei trekt. In 1989 schoot hij rond veertig varkens, die hij na verwijdering van de ingewanden ('ontweiding') doorverkocht aan diverse Overijsselse restaurants. Tegen tien gulden per kilo 'ontweid' gewicht. Dat leverde hem een aardige zakcent bovenop zijn AOW en de revenuen van een enkele tweedehands auto.

Het juist verstreken jaar was daarentegen slecht voor de clandestiene business. Nieland: “Ik heb maar een paar varkens geschoten, omdat de prijs gekelderd is tot vier gulden. Dat komt door de invoer van wild uit Schotland en Tsjechoslowakije en bovendien worden er steeds meer wilde zwijnen gefokt. “

Iedereen weet dat Nieland stroopt, ook de autoriteiten. De laatste keer dat hij wegens overtreding van Jachtwet en Vuurwapenwet werd gepakt, was in 1984. De rechtbank in Zutphen legde hem 850 gulden boete op, maar daar kwam hij later, na betaling, weer onderuit. Nieland: “Ik heb een gratieverzoek ingediend en daar zijn ze op ingegaan. Ik kreeg de cheque keurig thuisgestuurd. Dat kwam goed uit, want mijn tv was net kapot.”

Wat Nieland doet, is natuurlijk niet in de haak, maar wat de reguliere jagers doen, is erger. Tenminste, volgens Fred Hess, natuurfotograaf en tot voor kort bestuurslid van de Stichting Kritisch Faunabeheer. Hij heeft ons met Nieland in contact gebracht naar aanleiding van de notitie Grofwildbeheer Veluwe van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij.

Hess heeft grote bezwaren tegen die nota, die nog de status van ontwerp heeft, maar weldra in beleid zal worden omgezet. “Het jachtbelang”, luidt zijn voornaamste grief, “blijft prevaleren boven de natuurbescherming. De jacht wordt als een zelfstandig belang beschouwd en dat is volledig achterhaald. Vroeger was het een middel van bestaan, nu niet meer. Bovendien is de jacht ronduit schadelijk voor de natuur.”

Nieland kan bij hem een potje breken: “Natuurlijk zag ik liever dat er helemaal niet gejaagd werd, maar als het toch gebeurt, geef ik de voorkeur aan een man als Gait, die jarenlange ervaring heeft en met een goed gericht schot zo'n zwijn onmiddellijk doodt. Dat is beter dan al die welgestelde heren, die uit een soort statusgevoel drijfjachten organiseren en nogal wat aangeschoten wild achterlaten. Ik ben er regelmatig bij geweest en dan zie je naderhand die beesten in het bos verkommeren. Ik verwerp de jacht als puur vermaak voor een stel mensen die hun frustraties komen wegknallen.”

In de vrije natuur op de Veluwe leven ruim duizend wilde zwijnen, die ten behoeve van de reguliere jacht (toegestaan tussen augustus en februari) intensief worden bijgevoerd. Nieland brengt ons op een paar van die open plekken aan de bosrand bij Wezep en Heerde. Er liggen kapotte eieren op de grond, slachtafval van kippen, vergaste eendagskuikens, bieten en mais, want varkens zijn alleseters. Terzijde bevindt zich een hoogzit of wildkansel, waaruit menigmaal op de dieren wordt geschoten.

Nieland: “Dat is nou iets wat mij tegen de borst stuit. Varkens schiet je op hun trek en niet van bovenaf als ze staan te eten. Er moet nog een beetje sport bijkomen. Ik ben een stroper, maar wel een nette. En dan al die troep op de grond, zo maak je er een complete mesterij van.”

Hess kan het ook niet aanzien, om nog een andere reden: “Door al dat bijvoeren wordt de zwijnenstand op onnatuurlijke wijze vergroot. Ze zeggen dat het nodig is om de dieren uit de omringende akkers te houden, dus om schade aan de landbouw te voorkomen, en om vaste plekken te hebben voor afschot, maar het is de jagers alleen te doen om meer wild. De gevolgen voor de natuur zijn hier en daar desastreus. Het aantal zwijnen gaat de draagkracht van het bos ver te boven, zodat je links en rechts de ondergroei, zeg maar de natuurlijke plantenlaag onder de bomen, ziet verdwijnen.”

Er speelt volgens Hess ook een belangrijk commercieel belang mee. “De eigenaren van het bos verpachten de zaak aan jagers om de exploitatie van hun terreinen rond te krijgen. Een dag jagen kost iemand al gauw vijfhonderd gulden, maar dat schijnen ze er voor over te hebben en de eigenaar is er financieel mee gebaat.” Hij noemt in dit verband Staatsbosbeheer, maar ook instellingen als Het Gelders Landschap en het nationale park De Hoge Veluwe: “Daar is de jacht verpacht aan het St. Hubertusgilde voor meer dan een ton per jaar.”

Bij Wezep ligt een door bos en hei bedekt waterwingebied, dat tot tot de mooiere stukken van de Veluwe behoort. Als we wilde zwijnen willen zien, moeten we daar zijn. Ze scharrelen rond op een afgerasterd terrein en maken dus strikt genomen geen deel uit van de natuurlijke populatie. Knorrend komen ze aangedribbeld als Nieland een pluk voedselrijke humus over de omheining werpt: twintig biggen van een paar maanden oud en drie zeugen. Er moet nog een zeug zijn en ook een keiler, maar die blijven voor ons verborgen. “Die liggen nog samen in het kraambed”, denkt Nieland.

    • F. G. de Ruiter